VPRO Boeken

Beeld: Iris Mathilde van der Werff

Morgen 16 april aanstaande om 11:20 op NPO1. Hanna Bervoets over Fuzzie en ik over Probeer om te keren. Meer info? Zie:  https://www.vpro.nl/boeken/programmas/boeken/2017/16-april.html

Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen

Reumarijn (haha, woordgrap)

Omdat het vandaag Wereldreumadag is – voor jou dan, gezonde lezer, voor mij is het dat iedere dag – hier een stuk over reuma, joepie! In juni 2015 stond ik in Rome om tijdens het EULAR-congress te vertellen over mijn ziekte, hoe ik ermee omga, en hoe patiënt participatie aan het opkomen is in het kinderziekenhuis waar ik zelf lang patiënt ben geweest. Dit (licht aangepaste) stuk gaat over hoe ik, door mijn reuma met anderen te delen, leerde om mijn patiënt-zijn onder te brengen in wie ik ben.

Mijn naam is Marijn Sikken, ik heb jeugdreuma sinds mijn vroege jeugd. Hoewel de ziekte zelf in remissie is, heb ik veel last van restschade: ik ben nooit pijnvrij. Ik heb bijeffecten in mijn rechteroog, mijn pijnpunten zitten in beide knieën en linkerenkel, ik heb veel last van mijn kaken.
Op dit moment ben ik niet goed in staat betaald te werken. Ik word snel ziek en moe soms heb ik uit het niets een ontsteking of infectie: mijn hoofd is nog niet half zo onvoorspelbaar als mijn lichaam. Gelukkig kan ik schrijven terwijl ik in bed lig met wat katten en Netflix.
Om kort te gaan: beïnvloedt mijn ziekte mijn dagelijks leven? Absoluut. Ben ik een gelukkig mens? Zeker weten. Ik heb een geweldige jeugd gehad, ook in ziekenhuistijden. Vandaag de dag ben ik mijn eigen dromen aan het vervullen.
Maar opgroeien met reuma – wat veel ziekenhuisbezoek betekende, zorgde voor schooluitval en maakte dat ik vaak niet kon afspreken met vrienden – heeft zijn invloed gehad. Ik heb misschien harder moeten vechten om te komen waar ik nu ben. Nu ik daar ben aangekomen voelt het geweldig, maar ik ben nooit dankbaar: ik zie waar mijn aandoening me sterker heeft gemaakt en dat is prima, maar ik voel me niet gezegend over het feit dat hij er is.
Ik voel me gezegend dat mijn harde werk loont, dat ik opgroeide in een heel betrokken gezin, dat mijn ouders me nooit hebben geslachtofferd. Ik voel me gezegend te zijn behandeld in een ziekenhuis waar men de expertise had om het leven van chronisch zieke kinderen te verlichten: ik ben zo dol op mijn voormalige zorgverleners dat ik nog steeds met ze in contact ben. Als voorzitter van de jeugdreuma-patiëntenraad, die mijn kinderartsen hebben opgericht, bezoek ik mijn oude ziekenhuis met enige regelmaat. Vanuit mijn oude ziekenhuis werkte ik aan een bijzonder project, Grillig en toch Betrouwbaar, wat de invloed van het onvoorspelbare aan chronisch ziek-zijn bij jongeren in kaart brengt. Ik werkte hierin samen met mijn oud-kinderartsen.
Het moge duidelijk zijn dat mijn directe omgeving altijd aardig en begripvol naar me is geweest. Maar er is ook een buitenwereld, waar nog altijd veel vooroordelen en misvattingen bestaan over jonge mensen met reuma en aanverwante ziekten.
Laat me iets vertellen over hoe ik omga met die buitenwereld.

Een tijd geleden scrollde ik door mijn Facebooktimeline en kwam daar een getagde foto van Dr. Wulffraat tegen. Dr. Wulffraat is kinderreumatoloog in het WKZ te Utrecht. De foto was genomen in een van de behandelkamers in het WKZ door een meisje dat lachend naast dr. Wulffraat stond. ‘De liefste dokter ter wereld!!!’ luidde het bijschrift.
Als jonge patiënten je toevoegen op Facebook, doe je het als arts behoorlijk goed.
Dit meisje liet haar ziekte zien, ze schaamde zich er niet voor. Dat is dapper, veel patiënten worstelen immers met welk gedeelte van zichzelf ze aan anderen (collega’s, familie, vrienden) laten zien en welk gedeelte niet: hoeveel van je aandoening verberg je voor je omgeving? En waarom? Deze worsteling komt bovenop het dealen met de ziekte zelf.
Lange tijd vertelde ik zo min mogelijk aan mijn vrienden. Ik zei heus dat ik naar het ziekenhuis moest, maar vertelde niet wat er precies ging gebeuren: dat ik bang was dat mijn oog achteruit was gegaan of dat er sprake was van een operatie. Ik vertelde last minute dat ik toch niet meekon naar de stad maar ik vertelde niet over de vermoeidheid die dat veroorzaakte, of de pijn.
Ik denk dat ik mijn vrienden nooit echt over pijn heb verteld. Maar deze dingen horen ook bij mij – ze zijn net zo goed onderdeel van wie ik ben als mijn liefde voor katten, kaas en Rammstein.
Mijn vrienden kenden maar de helft van mij.
Wijsheidje tussendoor: je kunt geen compassie van anderen verwachten als ze het niet weten.
Op zeker moment begon ik die andere helft met mijn vrienden en kennissen te delen. Ik schreef columns over leven met reuma voor Youth-R-Well.com. Mijn eerste stuk ging over mijn kinderarts, dr. Prakken, die ik nog steeds dr. Simba noem. Ik schreef over een heleboel dingen, zoals bloedafnames (ik ben nog altijd een bange poeperd waar het naalden betreft); over knappe verplegers; over de transitie naar het grote-mensen-ziekenhuis; over schoenen. Ik schreef over de verdrietige dingen, de onhandige dingen (zoals hoe vaak ik naar het ziekenhuis ga en vergeet mijn benen te scheren), de saaie dingen. Door erover te schrijven, leerde ik mezelf hoe ik met mijn aandoening kon omgaan. Nog steeds krijg ik berichten van patiënten die de bundels Poezenoren en #Lolreuma hebben gelezen en er troost uitputten. Daar ben ik trots op.
Mijn niet-zieke vrienden en kennissen lazen de columns ook. Het hielp. Als ze me een tijdje niet hadden gezien, konden ze online lezen waarom dat was. Dan kreeg ik berichten als: ‘Meid, we zijn er hoor. Geef een belletje en we brengen chocola.’
Later begon ik foto’s te nemen, precies zoals het meisje in de behandelkamer bij dr. Wulffraat. Ik doe het nog steeds en plaats deze infuusselfies op Twitter, Facebook, Instagram of op mijn blog. Waarom? Omdat ik de gezonde mensen in mijn omgeving alles over reuma kan vertellen maar ze zullen het niet zien tot er echt een buisje uit mijn arm komt. Ze begrijpen mijn hele ik pas als ze me in een rolstoel hebben gezien, grapjes makend of niet.
Ik probeer vrolijke foto’s te maken, grappig waar mogelijk, om het ongemak te neutraliseren dat rond een onzichtbare ziekte hangt – ongemak dat de kamer insluipt als mensen er oncomfortabel onder zijn, als ze echt het goede willen vragen of zeggen maar niet weten hoe. Weten jullie hoeveel mensen er per ongeluk ‘gefeliciteerd’ zeggen in plaats van ‘gecondoleerd’? Dat is hetzelfde ongemak, de enige manier om het te bevechten is door er niet te moeilijk over te doen.
Wanneer ik mezelf nu post in een ziekenhuisstoel krijg ik reacties en foto’s terug van andere patiënten, we vinden elkaar onder de hashtag #lolreuma. Dat is zoiets als #lolcats maar dan met reuma. Op internet is niemand alleen, ook patiënten niet.
Ten slotte bracht ik mensen naar binnen. In plaats van mezelf te verstoppen wanneer mijn lichaam me in de steek liet, nodigde ik anderen uit: ‘Ik loop als een auto-ongeluk maar als je zelf je drinken kunt pakken, kunnen we een film kijken,’ dat werk.
Een van de eerste keren dat ik dit deed, nodigde ik een vriendin uit die me eigenlijk alleen van goede dagen kende – zij is levendig en wild en als we samen iets gaan doen, gebeuren er nog wel eens dingen die niet noodzakelijkerwijze slim of volwassen zijn. In plaats van dat we luidruchtig een café overnamen, zaten we dit keer op de bank. Na een paar minuten stilte raakte ze mijn arm aan en zei: ‘Het is wel erg deze keer, hè?’
Een andere vriendin ging mee naar een van mijn eerste infusen. De verpleegster miste twee keer achter elkaar mijn ader – ik had zoiets van: ‘Oké veel geluk de volgende NOOIT MEER, ik ga naar huis.’ Nadat ik klaar was met tieren, zei mijn vriendin: ‘Laten we het nog een keer proberen.’
Dat deden we. Het werkte.

Ik vertel dit niet omdat ik het zo fantastisch doe allemaal, maar omdat het niet uitmaakt hoe geweldig je dokters zijn of hoe betrokken je familie is: een patiënt worden, je ziekte inbedden in je karakter en identiteit, is iets dat je zelf moet doen. Alles wat ik nodig had – goede zorg, lieve ouders, leraren die meedachten in plaats van tegenwerkten, geweldige vrienden – was aanwezig. Alleen het laatste stukje, precies dat stukje dat het meisje op Facebook al zo knap deed, moest ik nog doen. Ik moest nog leren om tegen mezelf en anderen te zeggen dat ik Marijn ben. En dit is mijn aandoening.

schermafbeelding-2016-10-12-om-08-27-56

Geplaatst in #lolreuma | 2 reacties

Echo’s van mensen

Schrijver Richard de Nooy, die jullie allemaal alleen al zouden moeten volgen omwille van zijn Useless Writer Tips (maar vooral omdat hij verdraaid goede verhalen en boeken schrijft), kwam zijn moeder tegen in een filmpje uit 1922. Zijn moeder werd geboren in 1923. De Nooy was, begrijpelijkerwijze, nogal beduusd van deze ‘ontmoeting’, maar ik herken het mechanisme. Dit blog gaat over mijn eigen vreemde ontmoetingen – ok, en een beetje over die van mijn moeder.

 

Mijn oma is al tien jaar dood, ik zie haar nog vaak. Soms zit ze bij de bushalte te wachten op de 37, net als ik, en stapt ze uit bij het Amstelstation, ook net als ik. Zij neemt de metro en ik de trein: rustig stapt ze in, ze is kleiner dan ze hoort te zijn. Daar gaat ze. Richting Gein.
Soms heeft mijn oma een grote boodschappentas bij zich, dan weer draagt ze een hoed of een ronde zonnebril. Ik zie haar veel op de Dappermarkt. Als ze praat, heeft ze een zwaar accent. Nu eens eet ze een broodje bakkeljauw, een andere keer draagt ze heel veel sieraden – allemaal nep. Bijna altijd is mijn oma donker van huid. Mij ziet ze nooit.
Mijn moeder herkent dagelijks haar broer. Italiaanse mannen, Griekse mannen, Turkse mannen, boerse mannen, stoere mannen, grappige mannen, lieve mannen en vervelende mannen: hij hoeft maar een neusbrug of haarkleur gemeen te hebben of dat is K.
‘Je spreekt hem te weinig,’ opper ik.
‘Hij belde gisteren nog,’ zegt zij. Soms zwaait ze bijna, verder heeft ze er geen last van.
Mijn moeder speelt al heel lang een spel met mijn vader. Zij wijst iemand aan, op straat of op tv, en zegt: ‘Aan wie doet hij je denken?’ Mijn vader raadt het altijd goed.
Ik probeer dit ook met mijn eigen vriend, die raadt het bijna nooit.
Natuurlijk zie ik vrij vlug dat het mijn oma niet is, daar bij de bushalte of op de markt of het station. Ik zie haar overwegend vaak in Hindoestaanse vrouwen, meestal van veel hogere leeftijd dan mijn oma ooit mocht bereiken. Altijd is het een flits, een oogopslag, heel kort. Even denk ik: ‘Dag, grote oma.’ Dan is het weg, mijn onderbewustzijn heeft weer een grapje met me uitgehaald. Wat wil het me toch vertellen, iedere keer als ik haar tegenkom?

Er zijn dagen waarop iedereen op een ander lijkt, ik loop voortdurend verschrikt rond. Steeds vraag ik me af of ik moet groeten of niet. Is het hem, is het haar, zijn mijn lenzen oud, word ik seniel?
Roos van Rijswijk beschrijft in haar Tirade-blog hoe ze een zeeman op de pont ziet staan en denkt: “Sprekend een oude leraar van me. Zo sprekend dat ik zwaai en halverwege de zwaai besluit op mijn hoofd te krabben zodat de zeeman het niet ziet, ik weet al wat er aan de hand is, het is een iedereen-lijkt-op-iemand-dag.” Daar moet ik natuurlijk aan toevoegen: een iedereen-lijkt-op-mijn-oma-dag.
Paul Edgecombe, die na zijn lange leven als bewaker van de dodencellen op The Green Mile (Stephen King) in een bejaardentehuis terechtkomt, ontdekt daar een herhaling van personages: lang na het overlijden van zijn geliefde Janice ontmoet hij Elaine, van wie hij gaat houden zoals hij hield van zijn vrouw. In een van de aanwezige verzorgers ziet hij zijn aartsvijand Percy Wetmore terug, Edgecombe herkent de sadistische en stiekeme manier van treiteren.
Het wordt nergens letterlijk gezegd, maar het is duidelijk dat Paul weet wat er aan de hand is: dit is niet zijn ouder wordende brein, dat op zoek gaat naar wat het al kende, nee: deze menselijke echo’s zijn onderdeel van de straf van God.
Doordat Paul een van Zijn wonderen heeft gedood, is hij gedoemd heel lang te leven. Hij is, zoals Elaine het zegt, ‘infected with life‘. Paul overleefde Janice en zijn kinderen, zijn kleinkinderen zijn van hem vervreemd. Ook Elaine zal hij overleven. Hoe lang hij nog heeft? Paul weet het niet, hij zit het uit.

In de film Smoke wordt een weduwnaar geconfronteerd met een foto van zijn hoogzwangere vrouw, niet lang voor haar dood. De weduwnaar herkent zijn Ellen in een snik, het is een prachtige scène: even leeft ze weer, in alle alledaagsheid, even komt er bijna een kind aan. De foto brengt zijn vrouw niet terug, maar misschien maakt dit magische weerzien het gemis draaglijker, zoals de echo’s van Paul Edgecombe het gemis zowel draaglijker als ondraaglijker maken.
Ons leven staat bol van kleine keuzes die het leven draaglijk maken. Christopher, de hoofdpersoon in The curious incident with the dog in the night-time, geschreven door Mark Haddon, bepaalt aan de hand van gekleurde auto’s of het een goede dag wordt of een slechte. Het is een van zijn regels, ooit koos hij daarvoor omdat het goed voelde – al dan niet bewust.
Op straat spelen kinderen dat ze alleen over de witte strepen van het zebrapad mogen lopen, de rest is lava. Op straat spelen kinderen dat ze de randen van de stoeptegels niet mogen raken. Vraag zo’n kind waarom het de randen niet mag raken en het heeft geen idee – het is evengoed een spel als een bezwering, een klein bijgeloof. Is het schadelijk? Welnee.
Als ik een Citroën DS zie, is dat een goed teken – in tegenstelling tot bij Christopher maakt de kleur me niet uit. Verlaat ik een roltrap, dan tap ik een keer met mijn voet. Ik weet dat de wereld niet instort als ik vergeet te tappen, maar ik tap graag. Ik tap altijd rechts. En ik zie overal mijn oma, ze echoot door in gezichten van Hindoestaanse dames. Dat is geen straf van God. Misschien kies ik ervoor haar te zien, misschien is het iets anders – een magisch weerzien. Ze maakt het leven mooier.

Opaenoma

Geplaatst in Tekst | Getagged , , , , , , , , | Een reactie plaatsen

Alles is enkel

N.a.v. het (amper) zien van de film Blow Up (1966). Minor spoilers.

Meer dan de eindscène heb ik niet gezien van de film. Die dag was alles enkel, zoals de laatste maanden verrassend vaak alles enkel is – randfactoren die een kijkervaring beïnvloeden.
Met veel moeite bereikte ik die ochtend de eerste etage, ik was als eerste en wachtte op de rest van de werkgroep met koffie en medicatie bij de hand. Later moesten we, omdat de dvd in het klaslokaal niet werkte, twee verdiepingen naar beneden.
Er was geen lift, oude gebouwen zijn krengen, het lukte me niet ongezien de twee wenteltrappen te nemen. Sowieso waren het trappen die ik niet moest lopen, maar ja, kom zeg Sikken, wanneer laat jij jezelf ergens door tegenhouden?
Iemand vroeg hoe het ging, iemand kreeg maar net een antwoord.
Beneden stond het geluid te hard. Ik moest plassen. Die trap moest ik zo ook weer op.
Misschien stond ik niet open.

Camera’s zijn een perfect medium voor mensen die zoeken naar een vorm van schijncontact: de lens waardoor de fotograaf naar zijn onderwerp kijkt, creëert afstand. Sommige fotografen zoeken een manier om die afstand te overbruggen, voor anderen is het juist de enige manier om naderbij te komen. Argumenten heb ik (nog) niet, maar de blonde jongen uit Blow Up, slenterend door het park met zijn camera aan zijn arm, lijkt me er een van de laatste soort.
Een pick-up vol hysterische jongelui rijdt de scène in. De groep schreeuwt uitgelaten, iedereen is wit geschminkt. Schmink is, net als groepsvorming, ook een manier om afstand te creëren.
Zodra de pick-up stilstaat, stappen de jongelui uit. Ze rennen naar een omsloten tennisbaan. Daar stopt hun geluid: twee van hen, een jongen en een meisje, maken zich los van de groep en gaan de tennisbaan op. Ze hebben geen spullen bij zich, dus spelen ze luchttennis – er wordt tennis gemimed.
De rest van de groep kijkt toe aan de rand van het hek, moedigt zonder stemgeluid aan. De blonde jongen, ook aan het hek, krijgt een gebaar van het spelende meisje: ze haalt haar schouders op. Hij knikt haar toe, een beetje verlegen.
Even later gaat de bal over het net. De blonde jongen moet hem halen.
Ook zonder de hele film te hebben gezien, weet je dat dit zijn allesbeslissende moment is. Gaat hij in het spel mee, legt hij contact? En zo ja: wordt dat dan geaccepteerd? De jongen loopt het grasveld op tot waar de onzichtbare bal ongeveer naartoe is gerold. Hij pakt in het niets en gooit in het niets terug, volgt zijn worp met zijn ogen.
De groep komt niet meer in beeld, maar een zacht getik vult de achtergrond. Tennis?
De jongen lacht een beetje. Hij staat open.

Op dagen dat alles pijn is, ga ik dicht. Niets is dan zo moeilijk als contact leggen met de buitenwereld. Na al die tijd reuma weet ik nog steeds niet goed hoe ik een enkeldag en alles wat daarbij hoort – dat lelijke manke lopen, het denkbeeldige scheermesje dat de binnenkant van mijn voet bewerkt, dit kribbige zwakke ding dat ik dan ben – met anderen moet delen.
Antwoord geven op de vraag hoe het gaat, is al bijna te veel.
Mijn gezicht wordt erdoor geschminkt, ik draag een pijnmasker. Mijn lichaam reageert niet alleen op het scheermesje zelf, maar ook op mijn terugtrekkende beweging – hoe harder ik mijn best doe de wereld af te wijzen, des te meer mijn lijf het anderen wil laten zien.
Daar wordt op gereageerd. Iemand gooit een bal over mijn net, iemand vraagt me contact te leggen. Mijn eerste gevoel is: dat kan ik niet. Kan het zijn dat niet afstand, maar juist contact het belangrijkste is op dagen dat alles enkel is? Ik moet die bal eens teruggooien.

http://www.youtube.com/watch?v=YgsiCjU0HQ8

Geplaatst in #lolreuma, Tekst | Getagged , , | Een reactie plaatsen

Kijken of doen

[youtube=http://www.youtube.com/watch?v=_J9uoLMhMhs]

In een stuk op De Correspondent vraagt Lynn Berger zich na het zien van de IDFA-documentaire Something better to come, over kinderen die op een Russische vuilnisbelt wonen, af wat ze ermee moet: “Ja, ik vind het heftig om te weten dat er mensen zijn die zo leven. En ook goed, ergens, dat ik me daar nu ‘bewust’ van ben – het soort zelffeliciterend bewustzijn dat ik bij wel meer IDFA-gangers meende te bespeuren, tevreden dat we het leed van de wereld niet onopgemerkt voorbij lieten gaan. Maar wat heb je aan dat bewustzijn als je niet, vervolgens, in het vliegtuig naar Moskou stapt om de mensen op de Svalka broodjes te geven, of bij de burgemeester van Moskou een petitie in te leveren?”

Veel mensen in mijn omgeving reizen de wereld over, steeds opnieuw, blijven maanden weg. Reizen is iets anders dan vakantie vieren, er moet ontdekt worden. Vaak komen deze wereldwandelaars met grote ogen terug, vol van wat ze hebben gezien (armoede, discriminatie, onrecht) om daar, eenmaal weer gewend aan het Nederlandse welvaartsritme, niets mee te doen. Maar die heftige indrukken blijven niet heftig, ze vlakken af en verliezen hun kracht. Uiteindelijk treedt er zelfs bij de grootste goedmensen een afsterven van bewustzijn op.
Als je in de ogen hebt gekeken van gedrogeerde tijgercubs, van mensen die zonder proces zijn gevangengenomen, van doodzieke kinderen, en je doet daar vervolgens niets mee – wat deed je dan tijdens je reis anders dan een beetje lopen dierentuinen, een beetje parasiteren? Schept kennis geen verantwoordelijkheden? En de dingen waar je echt niets aan kunt doen, moet je die wel allemaal willen zien?

Ik weet niet wat ik kan doen, na het zien van Waltz with Bashir, behalve – en ik vind het maar een zwaktebod – erover schrijven. Er valt heel wat over de documentaire te zeggen. Natuurlijk gaat het in eerste plaats over de oorlog in Libanon, begin jaren tachtig, en in het bijzonder over de slachting in Sabra en Shatila. Ook gaat de film diep in over de vloeibaarheid van het geheugen. Herinneringen, zo blijkt, zijn helemaal niet statisch.
Hoofdpersoon Ari, tevens schrijver en producer van de film, bezoekt in Waltz with Bashir soldatenmakkers van weleer om erachter te komen wat zijn aandeel in de slachting was. Directe aanleiding hiervoor, en daarom de opening van de documentaire, is de terugkerende nachtmerrie waarover zijn vriend Boaz hem vertelt: zesentwintig wilde honden rennen door de stad, ze komen voor hem, ze willen bloed. Als de honden bij zijn werk aankomen en Boaz op het punt staat ‘uitgeleverd’ te worden, ontwaakt hij.
Boaz heeft de droom sinds tweeëneenhalf jaar, de gebeurtenis waartoe hij te leiden is dateert van twintig jaar eerder. Tijdens de oorlog doodden soldaten bij het binnenvallen van dorpen de honden, zodat eventuele terroristen niet door geblaf werden gewaarschuwd. Boaz schoot zesentwintig honden neer.
Ari realiseert zich dat hij zich niets uit die tijd herinnert. Al gauw volgt zijn eerste flashback.

Tijdens het kijken dacht ik regelmatig aan Hadashi No Gen. Net als in Waltz with Bashir verhaalt Hadashi No Gen over een traumatische oorlogsgebeurtenis, dat het is gefictionaliseerd en geanimeerd doet niets af aan de urgentie ervan.
Toch lijken beide films vooral in veel opzichten niet op elkaar: zo gaat Hadashi No Gen over de atoombom op Hiroshima en is het een verfilming van een graphic novel – de auteur maakte de verwoesting van de stad als kleine jongen mee. Hadashi No Gen is in bepaalde opzichten gruwelijker dan Waltz with Bashir, gruwelijk omdat de hoofdpersoon een kind betreft, gruwelijk omdat er geen enkel mededogen wordt getoond met de kijker.

Opvallend hoe een tussenmedium als tekenfilm, dat nooit de werkelijkheid kan overtreffen, toch zo hard kan binnenkomen. Geloof je me niet? Kijk de tien minuten durende scène waarin de bom valt, een hond smelt, een vader en zusje bezwijken onder een brandende balk, zombieachtige figuren door de stad dolen omdat niemand ze nog heeft verteld dat ze dood zijn – je maag ligt stil.
Waltz with Bashir overstijgt de oorlogsverslaggeving niet alleen door het gekozen format, het vervreemdende effect van de tekenstijl, maar doet dit ook inhoudelijk: dit is niet zomaar een film, dit is een essay met grote literaire waarde. De film gaat immers ook, en misschien wel hoofdzakelijk, over de flexibiliteit van het geheugen. Het is een zoektocht, een onderzoek – niet voor niets vraagt Ari zich af waarom hij Boaz’ droom nodig heeft om zijn eigen flashbacks aan te wakkeren.

Sommige kijkers zullen afhaken bij het trage verteltempo, de haperende dialogen of de vele bizarre dromen en droombeelden. Zij die ervoor openstaan, worden beloond met een kijkervaring die niet alleen van historisch belang is, maar ook persoonlijke waarde kent: het zet je eigen geheugen in een ander licht. Wat houd jij voor jezelf geheim, waar komen jouw obsessies vandaan en wat betekenen ze?
Het meest indrukwekkende aan Waltz with Bashir, hetgeen waardoor het absoluut dat denigrerende etiket ‘tekenfilm’ van zijn rug mag krabbelen, is het moment waarop de animatie stopt. Ari heeft zijn geheugen terug, hij kent zijn aandeel. Ook weet hij waarom de oorlog hem zo blijft bezighouden. Wat je vervolgens te zien krijgt, is geen tekenfilm. Wat je ziet is niet geanimeerd of gefictionaliseerd, maar actual footage van na de slachting. Je maag ligt er stil van.
En zoals Lynn Berger zich in haar column op de Correspondent afvraagt wat ze opschiet met het zien van de zoveelste ellendige documentaire, rest alleen nog de vraag wat je hiermee moet doen.

Geplaatst in Tekst | Een reactie plaatsen

Over Leviathan: een chronisch gebrek aan verlossing

Wanneer het om films gaat, heb ik een lichte voorkeur voor het naakte uitzichtloze. Anders dan bij literatuur, waar ik beslist minder moeite heb met enige vrolijkheid en nuance, of muziek, waarnaar ik voornamelijk luister om te kalmeren (dat dit laatste het best lukt bij Rammstein is weer een ander verhaal) is een film voor mij pas echt geslaagd als ik er een emotionele kater aan overhoud.
Waar die voorkeur vandaan komt? Geen idee.
Regisseurs als Ulrich Seidl, Lars von Trier en Michael Haneke reken ik tot mijn helden en buiten hun oeuvres spreek ik met grote regelmaat enthousiast over The Plague Dogs, Deliverance en Calvaire, van welke ik de laatste twee geïnteresseerden graag aanbeveel onder de noemer ‘varkens neuken’.
Sinds afgelopen vrijdag kan ik het Russische Leviathan aan dit favorietenlijstje toevoegen.
Wat deze films en een groot deel van het werk van de genoemde regisseurs gemeen hebben, is een chronisch gebrek aan verlossing. Niet alleen dat, je wordt als kijker zelfs behoorlijk bestraft voor het hopen op iets dergelijks: in Funny Games van Haneke wordt moeiteloos door de vierde wand gebroken om de kijker te wijzen op zijn eigen verlangens, hypocrisie en medeplichtigheid. In boeken komt een dergelijk moraalmoment vaak ongeloofwaardig over, doordat het lijkt of de schrijver het overneemt van het personage – ‘zo, en nu ga ik even wat zeggen’. In Funny Games, waarover je zou kunt beweren dat Haneke het zelf even overneemt, is de truc even hooghartig als cynisch. Het is effectief.
De films zijn allen stuk voor stuk duidelijk in wat ze de kijker willen overbrengen. Natuurlijk kun je een en ander dubbelzinnig opvatten – zie Antichrist of Dogville van Lars von Trier of Das Weisse Band van Haneke – maar het gevoel, de premisse, is helder. De regisseurs zijn niet te beroerd enige opvattingen over het leven met geweld in je gezicht te smeren en dit van begin tot eind te herhalen – nogmaals, zie Funny Games.
Paradies Liebe van Seidl begint met een tergend lange scène waarin een stel geestelijk onfortuinlijken een rit in de botsautootjes beleeft. Die rit is nogal klinisch en onsmakelijk dichtbij gefilmd, je kijkt naar iets waar je eigenlijk niet naar zou moeten willen kijken – of in ieder geval niet op deze manier, het is even intiem als een masturbatie-scène. Deze setting komt niet letterlijk terug in de film, de film zou prima zonder kunnen, toch is hij belangrijk: hij zet de kijker in de juiste stoel, namelijk die van het fysieke ongemak.
Der Siebente Kontinent, naar mijn idee Haneke’s beste, doet iets soortgelijks. Deze film, over een gezin dat zelfmoord pleegt, begint met een minuten durende scène in een wasstraat. Er gebeurt niets, het gezin zit gewoon met zijn drieën in een auto, en tegelijkertijd gebeurt alles – strikt genomen is het een samenvatting van wat komen gaat, niet letterlijk maar emotioneel. Tegelijkertijd is het een prachtig contrast, zo’n scène waarin iets wordt schoongemaakt terwijl de rest van de film uitsluitend destructie in beeld brengt. De scène in de wasstraat wekt een even desolaat gevoel op bij de kijker als de scène waarin de vader het aquarium sloopt.

Dan Leviathan, een film waarin men al tijdens de eerste minuten aanvoelt dat hier enkel verliezers uit zullen komen. Prachtige shots van een extreem lege omgeving dragen bij aan een gevoel van onrechtvaardigheid, van uitzichtloosheid, van (geestelijke) armoede.
Sterk aan Leviathan vond ik dat het een vrij rechtlijnig verhaal was. Gebeurtenis volgde op gebeurtenis op gebeurtenis tot de film op een gegeven moment afgelopen was. Wanneer je dacht dat het niet erger kon, werd het toch nog een tandje erger. Er was, net als in Der Siebente Kontinent, Calvaire en Paradies Liebe, geen ruimte om een en ander anders te interpreteren. Licht aan het einde van de tunnel was er zeker niet.
Als toetje in Leviathan werd de boodschap nog even als een koude sneeuwbal in het gezicht van de kijker gewreven met een kerkscène die veel langer duurde dan noodzakelijk was. Lag het er dicht bovenop? Ja. Is dat erg? Nee. In een tijd waarin films niet metaforisch, moraal-neutraal of open genoeg kunnen zijn, is het behoorlijk verfrissend.

[youtube=http://www.youtube.com/watch?v=AGM73TuKCg4]
Der Siebente Kontinent

Meer meninkjes en ideeën over films? Zie hier, hier en hier.

Geplaatst in Tekst | Getagged , , , , , , , , , , , | Een reactie plaatsen

De cocon

Omdat ik momenteel heel erg in de cocon zit en geen zin heb om een nieuw stuk te schrijven over iets dat ik eerder redelijk helder heb verwoord, volgt er nu een re-post 🙂
Onderstaande column schreef ik in het tweede jaar van de Schrijversvakschool, later gebruikte ik hem voor Youth-R-Well.com, nog veel later werd hij opgenomen in de bundel #Lolreuma.

De kat uit de column, kleine sidekick Lies (zie foto onderaan bericht), is inmiddels dood, de titel van het jeugdboek weer kwijt en de pijn is er nog steeds. Het stuk blijft akelig actueel.

De cocon

Soms is het makkelijker ergens om in te geloven als je weet hoe het eruitziet. Alleen daarom al maken mensen zich een voorstelling van God. Omdat je vrij bent die voorstelling zelf in te vullen, zijn er over de hele wereld ontelbaar veel unieke, persoonlijke Goden: soms een witbebaarde man op een wolk, een soort hogere Sinterklaas, dan weer de wind of het gras, of God in de vorm van een vrouw.
Vanzelfsprekend zijn er evenveel manieren om het geloof in die God te beleven. Eén daarvan, gelezen in een jeugdboek, is me altijd bijgebleven. Het boek verhaalde over een meisje met een verdwenen moeder, hoe ze daarmee omging. Dat deed ze zo: ‘En ik begon zelfs te bidden tot de bomen. Dat was makkelijker dan bidden tot God, want bomen zag je overal.’
Door er een duidelijker beeld of voorstelling van te maken, vond het meisje niet alleen een manier om met haar geloof om te gaan, maar ook met haar verdriet – dat zich immers in diezelfde bomen bevond. Ze maakte er iets bekends van, en daardoor werd het minder moeilijk.

Wat het meisje met haar bomen had, heb ik met mijn pijn. Natuurlijk is pijn niet gelijk aan God of het geloven daarin, maar zoals geloven misschien makkelijker gaat in iets dat je kent – van naam, gezicht of vorm – zo voelt dat voor het hebben van pijn ook. Ik kan er beter mee omgaan nu ik weet hoe het eruitziet. Ik vlucht er niet voor. Ik bekijk het. Rustig, met eerbied. En leg het dan weer weg.
Ik heb geen bomen, maar een cocon. Daar heb ik niet bewust voor gekozen, hij was er gewoon ineens. Toch klopt het wel, want een cocon ga je anders in dan dat je eruit komt.
Mijn cocon heeft de vorm van een groot, sneeuwwit ei. Als de pijn in mijn hoofd zit en niet in mijn lijf, omdat ik boos of verdrietig ben, kleurt hij zwart. En als de cocon grijs is, heb ik een kater. Of griep. (De vaste lezer hoeft zich niet lang af te vragen welke kleur de cocon van misselijkheid heeft…)
Als ik mezelf oprol, pas ik er precies in. Spinrag filtert de prikkels die van buiten komen en naar binnen willen, er komt weinig door. Het is er warm. Soms kruipt de kat erbij, dan ruikt het nog lekker ook.
Ik geef mezelf een tijd op: een uur, een dag, misschien een week, soms een kwartier. Dan ben ik even niet bereikbaar. Ik heb dan pijn. En op dat moment ben ik die pijn aan het ervaren. Dat is niet zielig, sneu of iets dat je tegen moet gaan. Het betekent gewoon dat ik erg in mijn lichaam zit – en in die pijn. En dat helpt me: het is mijn bidden tot de bomen.
Ik wacht in mijn cocon tot de tijd om is. Dat voel ik vanzelf. Dan stap ik er weer uit. Met een beetje geluk als een vlinder.

Lies

Geplaatst in #lolreuma | Getagged , , , , , , , , , | Een reactie plaatsen

Wereldreumadag

Of: soms plaats ik ziekenhuiskiekjes omdat ik aandacht wil.

Omdat het Wereldreumadag is, wilde ik over reuma schrijven. Ik begon een paar keer, had zelfs aantekeningen gemaakt die mijn gedachtegang konden ondersteunen, maar steeds weer stokte ik.
Eigenlijk wilde ik een stukje schrijven over begrip, over dat lastige ‘wat doe jij?’ moment, maar dat had ik al eens gedaan. Nieuwe pogingen klonken zo bozig, liefst wilde ik een positief stukje plaatsen. Maar dat is nu juist zo lastig aan reuma, aan (chronische) ziekte in het algemeen: hoe goed het ook gaat, het is zo altijd aanwezig. Dat is niet positief.

Ik heb sinds tijden een heel vervelende gewoonte, namelijk het plaatsen van ziekenhuiskiekjes en infuusselfie’s op diverse social media. Daarmee overtreed ik enkele ongeschreven wetten, zoals dat alles positief danwel grappig en lollig moet zijn op Facebook.
Een van de minst lollige zaken aan mijn leven is wel het infuus.
Het infuus, ik schreef het al eerder, maakt mijn reuma groot en tastbaar. Zodra het moment van prikken daar is, word ik de meest dwingende en neurotische versie van mezelf. Dan vind ik mezelf helemaal niet leuk. Zit het ding er eenmaal in, dan ben ik twee uur lang tot weinig anders in staat dan ernaar te kijken en langzaam een beetje duizelig te worden, wat enkel kan worden tegengegaan wanneer iemand zo vriendelijk is me continu af te leiden. Zei ik continu? Ik bedoel CONTINU – tegenwoordig begrijp ik heel sterk waarom er zoiets bestaat als Cliniclowns. Het laatste half uur voel ik het buisje echt ‘zitten’ en word ik langzaam aan een beetje labiel.
In het begin kon ik er niet naar kijken. Verplegers bonden mijn arm in en legden er een warme handdoek overheen. Nu kijk ik er wel naar – niet naar de injectie zelf, maar de constructie die eruit volgt, het buisje dat mijn huid ingaat, het blauwe dopje, de pleisterberg die de boel op zijn plek houdt. Ik probeer aan het uitzicht te wennen en de esthetiek achter het kleine kreng te ontdekken, zodat ik hem in elk geval, naast zeer welkome toediener van medicatie, als een ‘schoon ding’ kan waarderen. Een Instagramfilter helpt daarbij.

Ik zal de laatste zijn die deze discussie opnieuw wil openen, maar feit blijft dat Facebook, Twitter en al dan niet meer een grote Goed Nieuws Show zijn. Zo post ik in de regel geen foto’s van mislukkelingen en dingen die niet grappig maar alleen gênant zijn. Wanneer ik iets deel dat echt vervelend of verdrietig is, voelt het al gauw alsof ik een grens overga: wanneer vertel je iets oprecht en wanneer doe je het om de verkeerde redenen (schaamteloosheid, overmatig aandacht vragen, een vergevorderde narcistische persoonlijkheidsstoornis)? Wat wil ik bereiken als ik mezelf via Facebook incheck op de dagbehandeling of een foto plaats van mezelf aan mijn infuuspaal?
Natuurlijk wil ik aandacht. Patiënten zijn een aparte diersoort, ze zijn in de regel niet makkelijk en ook niet altijd de meest sympathieke. Onlangs lag ik op dagbehandeling naast een vrouw die de hele dag moest blijven. Haar medicijnen bezorgden haar vreselijke hoofdpijn, we werden allen verzocht zo zacht mogelijk te praten. Dat probeerden we, maar wie op een overvolle zaal ligt kan helaas geen stiltecoupé afdwingen. De vrouw droeg haar lijden heel erg uit: wij moesten het als rest van de zaal de hele tijd voelen, haar hoofdpijn – heel irritant, maar ook heel herkenbaar. Toen ik door medicatie alsmaar misselijk was, wilde ik ook dat iedereen dat wist, vooral degenen die niet misselijk waren. En soms, als ik echt pijn heb, wil ik dat jij dat weet, iederéén moet het dan weten, vooral degenen die geen pijn hebben.

De prikangst wordt minder maar het infuus blijft groot. Tussen alle grapjes en updates over de leuke dingen die ik ook doe door, wil ik dat anderen dit zien. Ik dring het je op. Zo veel dring ik je verder niet op, niet op Facebook (mijn katten en Pokemongrapjes daargelaten) en als het goed is ook niet in het echt: mijn reuma, het bezittelijk voornaamwoord zegt het al, houd ik het liefst bij mezelf. Maar ik wil niet dat anderen het vergeten.
Als het niet begrepen wordt, hoop ik in elk geval dat anderen me dit vergeven.
Schermafbeelding 2014-10-12 om 09.20.11Schermafbeelding 2014-10-11 om 10.27.04
Hier nog twee sypersympathieke pogingen de esthetiek achter het infuus te waarderen.

Geplaatst in #lolreuma, Uncategorized | Getagged , , , , , , , , | Een reactie plaatsen

The Reunion

Losse gedachten over The Reunion van Anna Odell.

[youtube=http://www.youtube.com/watch?v=tbAFG8XDS28]

Anna Odell zoekt iets en ze vindt het niet. Dat is een tragisch gegeven, zeker wanneer je die gedachte verbindt aan het hoofdthema van de film: pesten. The Reunion is opgedeeld in twee delen, het eerste bestaat uit een korte speelfilm waarin Anna een schoolreünie bezoekt. Anna speelt zichzelf, acteurs spelen haar klasgenoten. Wat een gezellig feest moet worden, ontaardt dankzij Anna’s ‘optreden’ in psychologisch geweld zoals je dit alleen van Scandinavische cinema kunt verwachten. Het is een wrange, koude film, de vergelijkingen met Festen zijn bijna te makkelijk gevonden (speeches, iemand?).

In het tweede deel zoekt Anna haar echte klasgenoten van vroeger op: de grootste pestkoppen; de meelopers; de inmiddels volwassen vrouw die haar niet uitnodigde voor de daadwerkelijke reünie. Schokkend is hoe normaal al die mensen zijn, je verwacht monsters en je krijgt je buurvrouw, je vriend, de buschauffeur.
Haast iedereen die Anna spreekt over vroeger ontkent, zwakt af, schuift de schuld af op een ander – als ze al personen te pakken krijgt. Een dieptepunt in deze ontmoeting is die met Henrik, één van de ergste plaaggeesten. Hij geeft te kennen Anna nog steeds raar en oninteressant te vinden, in deze afwijzende houding is hij bovendien onaantastbaar: twintig jaar later wil hij haar nog steeds niet kennen. En Anna blijft maar doorgaan, ver voorbij de grenzen van ongemakkelijkheid.
Je mag het niet zeggen, maar ik kan me best voorstellen dat Anna vroeger werd gepest, dat zij die ene was die iedereen wel in de klas heeft gehad – en niet wilde zijn. Als je tien kinderen op een rij zet, moet je toch een aardige voorspelling kunnen maken, je moet toch vrij vlug kunnen zien wie hier een verhoogd risico met zich meedraagt, wie er zwakker lijkt dan de rest – en zo moet je evengoed al snel kunnen raden wie zich tot de alfa zal ontwikkelen. In de natuur gebruiken ook de jongen geweld, bijten elkaar dood, schoppen elkaar uit het nest, het is survival of the fittest. Als ‘beschaafde’ soort hebben wij het geweld afgeschaft. Of niet?
Ik weet niet of die ontmoetingen echt zijn of gespeeld. Dat doet er ook niet toe. Wat is het dat Anna zocht? Erkenning, vergelding, spijtbetuigingen? Henrik, gespeeld of niet, laat haar de cynische waarheid zien: soms krijg je het gewoon niet. Aan het einde van de film speelt een liedje dat even hysterisch en beschadigd klinkt als dat Anna uit haar ogen kijkt: the war is over. Rest alleen nog de vraag wie hem heeft gewonnen.
Geplaatst in Tekst | Getagged , , , , | 1 reactie

The Plague Dogs

(Pas op: dit stuk bevat spoilers over the Plague Dogs, zowel film als boek)

0

Jarenlang heb ik gedacht dat Richard Adams, auteur van o.a. Watership Down, het einde voor the Plague Dogs herschreef naar aanleiding van verontwaardigde lezersbrieven: smeekbedes van mensen die echt niet met de dood van hoofdpersonen Rowf en Snitter konden leven. Inmiddels weet ik dat Adams het einde herschreef op aanraden van zijn redacteur en enkele vroege ‘meelezers’ – ook discutabel, maar anders. Toch liet het idee me niet los.
Als beginnend schrijfster reikt mijn ervaring met lezersbrieven wellicht niet veel verder dan de ‘mooi’s en ‘goed gedaan’s die ik als negenjarige van directe lezers (moeder; juf) onder mijn verhaaltjes gekrabbeld zag staan. Echte brieven, verslagen van leeservaringen die emotioneel genoeg waren om het woord direct tot de schrijver te doen richten, ken ik niet, al kan ik me het vervreemdende effect die zo’n brief op een schrijver heeft wel vaag voorstellen.
Maar ik heb wel ideeën over hoe verhalen werken en hoe de posities van schrijver en lezer gehandhaafd dienen te worden. Als iemand het einde van zijn verhaal daadwerkelijk zou herschrijven op verzoek van verdrietige lezers, zou daarmee een grote fout worden begaan.

Iedere lezer van the Plague Dogs hoopt, na alle ellende die Rowf en Snitter meemaken – de hallucinaties van Snitter; de posttraumatische stress van Rowf; het opgejaagd worden omwille van de pest die ze niet bij zich dragen – dat de honden het halen, dat er voor hen een gouden mandje is. Maar het gouden mandje ligt niet in lijn met het verhaal, dus de hoop is vals.
Bovendien wordt die hoop, zowel voor lezer als personages, stelselmatig ondermijnd (in de film wordt dat vrij nadrukkelijk gedaan met het motief van de aap in de pit of despair, aan wiens verslechterende toestand de kijker kan afleiden dat er beslist geen licht aan het einde van de tunnel komt), er kan niet ineens een blij-einde-poeder over het verhaal worden gestrooid.
Als het Adams ernst was om via een fabelvertelling de lezer iets bij te brengen over dierenleed, dan zou hij als geen ander weten dat het enige licht aan het einde van de tunnel een dodenlicht is. Happily ever after voor Rowf en Snitter bestaat alleen in het idee dat het voorbij is, the Isle of Dog is de hemel. En ja, dit is absoluut het meest ondraaglijke slot dat menig lezer ooit zal tegenkomen, maar het is het enige juiste einde, want in de wereld van dierproeven en mishandeling is er geen ruimte voor verlossing.

Bovendien zouden de grenzen van de Schrijver Verhaal Lezer-driehoek worden overschreden. Daar zou Adams niet de eerste in zijn, maar het maakt het er niet minder kwalijk om.
Toen the Plague Dogs verscheen, zag de wereld (en dan vooral die van de literatuur) er heel anders uit. Er was wellicht meer afstand. Tegenwoordig echter komen schrijver, lezer en verhaal steeds dichter bij elkaar te staan. Schrijvers zijn niet langer de mysterieuze achtergrondfiguren voor wie het leven in dienst staat van het verhaal, het zijn zelf centrale figuren geworden die zich plooien naar de verwende lezer. Het verhaal verplaatst zich langzaamaan naar de achtergrond, op de voorgrond treedt de schrijver en zijn smeuïge leventje (hoe autobiografisch is uw werk; wat vond uw moeder ervan; houdt u eigenlijk van pindakaas?).
Jan van Mersbergen schreef onlangs: ‘Een schrijver is degene die aan teksten werkt, een auteur is de man die in de krant komt, die op een podium staat, de persoon in de hoofden van lezers en recensenten, het beeld dat naast de schrijver bestaat van de persoon die schrijft. Het is heel eenvoudig. Schrijven is een werkwoord. Auteuren is helemaal niks.’
Ik denk dat hij hiermee een heel belangrijk probleem aankaart dat langs het idee schuurt van schrijvers (of: auteurs) die teksten aanpassen op lezersverzoek.
De veeleisende lezer van deze tijd heeft de auteur uitgevonden. Het zal niet lang meer duren voor deze niet alleen bepaalt wat de boekhandel haalt (in Nederland doen we dat al via de monopoliepositie van enkele depressief makende talkshows), maar zal hij de pols waarmee de schrijver zijn pen vasthoudt in een wurggreep nemen en definitief bepalen wat er op papier komt.
Het punt is dat de lezer niet altijd weet wat goed voor hem is. Dat weet alleen de schrijver, die, met het schrijven van een verhaal, een bepaald doel voor ogen heeft. Het doel tijdens het schrijven van the Plague Dogs is leesbaar op iedere pagina, het druipt van het televisiescherm af voor een ieder die naar de verfilming kijkt.
Was het einde voor lezers herschreven, dan zou Adams hebben toegestaan dat de lezer zijn arm vastpakte; in zekere zin had hij daarmee zijn pen afgestaan. Adams zou zijn magische positie van schrijver hebben verloren en was vervolgens een auteur geworden. Daar had hij zichzelf, de literatuur en vooral Rowf en Snitter geen plezier mee gedaan.

Ik kwam eerder in aanraking met de verfilming van the Plague Dogs dan met het boek. Na het zien van de film was ik te moe om te huilen, te moe om te denken en te moe om te schrijven. Ik was stukgeslagen zoals alleen de allergrootste, meest urgente kunstwerken een mens kunnen stukslaan.
Pas later wist ik van het verschil tussen boek en film, en dat de film meer neigt naar het einde zoals dat in het oorspronkelijke manuscript geschreven staat. Het boekeinde kwam me voor als onnatuurlijk.
Ik had na de film een lezersbrief (of kijkersbrief, zo je wilt) kunnen schrijven met als vraag of Adams mij wilde vertellen dat er een eiland was, een gouden mandje. Omdat ik dan beter kon slapen. Maar kunst is er niet om de mens beter te doen slapen. Kunst ontregelt. Het was niet Adams doel als schrijver om mij beter te laten slapen.
Ik weet waar het gouden mandje staat – of, beter gezegd: waar niet. Het laat mij verscheurd achter. Ik ben er dankbaar voor.

Geplaatst in Tekst | Getagged , , , , , , , , | Een reactie plaatsen