De buren

“Ze waren met zijn drieën: een vader, moeder en dochter – van die vriendelijke, rustige types die je bij Animal Airport altijd betrapt ziet worden met 65 gebroken schildpadjes in hun broekspijpen.” Uit: de Buren.

Omdat ik nooit te beroerd ben om mijn eigen teksten te recyclen, volgt er nu een kort verhaal dat ik schreef voor Propria Cures. Ik doe er een plaatje bij zodat je vooral niet denkt dat het gezellig wordt of zo.

Schermafbeelding 2013-05-17 om 18.38.07

De buren

De rugpijn viel mee, zeiden we tegen onszelf, net als de jeuk. We hadden nog nooit gekampeerd en sliepen ‘s avonds voor de zekerheid in met vieux en Dormicum. Ook smeerden we onszelf in met muggenzalf, wat genoeg moest stinken om die krengen af te schrikken – dachten we. In Amsterdam hadden we nog geoefend met het opzetten van de tent, dat was het probleem dus niet. Het probleem waren de buren.
De zon scheen fel. We kampeerden op zo’n open veld met een groep picknicktafels waar iedereen gebruik van maakte. Die picknicktafels stonden, omwille van de gezelligheid, vlak naast elkaar. Onze tent stond te dicht bij die picknicktafels, maar daar was niets meer aan te doen. Bovendien waren we op zoek naar een nieuwe ervaring, een nieuw contact met mens en natuur. Ik was op mijn kont gestoken.
Het was aan één van die tafels dat wij ze voor het eerst zagen, onze buren.

Ze waren met zijn drieën: een vader, moeder en dochter – van die vriendelijke, rustige types die je bij Animal Airport altijd betrapt ziet worden met 65 gebroken schildpadjes in hun broekspijpen. De ouders moesten begin zestig zijn, mager, hun huid slap en verlooid en met grote handen. Ze hadden hetzelfde korte haar en gele vingers. Ik kon de tremor in de ledematen niet zien, maar wist dat hij er moest zijn.
Van de dochter, type: ideale kandidate voor Dames In De Dop, kon ik de leeftijd moeilijk raden want dikke mensen zetten je nog wel eens op het verkeerde been. Ze had haar wenkbrauwen geminimaliseerd en droeg een joggingbroek waarvan het elastiek te strak zat.
Ze dronken. Alledrie hielden ze een blikje Bavaria in de hand. Er stonden nog een paar lege exemplaren op de picknicktafel. Als ze geen slok bier namen, trokken ze aan hun sigaretten. Ik keek op mijn telefoon: het was kwart over tien.
Toen wij terugkwamen van onze ochtendwandeling naar het dorp, zaten ze er nog steeds. De zon scheen volop, het aantal blikjes bier op de picknicktafel was verveelvoudigd. Het was half één.

De hele dag zat de familie aan de picknicktafel. Hun zwijgende aanwezigheid was drukkend, ook al deden ze niemand kwaad.
De dochter draaide shag: eerst voor zichzelf, toen voor haar moeder en toen voor haar vader. Ondertussen pakte de moeder drie nieuwe blikjes bier, die, zag ik nu, in een tray naast de picknicktafel stonden. De vader deed niets. Ze hadden geen koelbox.
Het lijkt wel een grap, zei mijn vriend.
Een toneelstukje, zei ik.
De familie zei niets. Toen het avond werd schakelden ze over op rode wijn, het duurde niet lang of hun monden zagen paars. De moeder ging in de weer met een gasstelletje, krieltjes en wat voorgesneden kip. Ook sneed ze een tomaat. Na een tijdje verdeelde ze de krieltjes en de kip over drie plastic bordjes. Ze aten zonder te stoppen met drinken. De tomaat bleef over.

‘s Avonds sliepen we in met de gedachte aan de buren. We hoorden ze niet, maar wisten dat ze er nog zaten: het lantaarntje brandde nog. Mijn vriend zocht toenadering door over de muggenbult op mijn kont te aaien, maar ik kon me niet op zijn aanrakingen concentreren. Chagrijnig draaide hij zich om.

De volgende ochtend was het bewolkt. De moeder had de picknicktafel gedekt voor drie: er waren broodjes en ham en kaas en boter, koffie in plastic bekers, maar ze at alleen. Na een tijdje dronk ze ook de koffie van haar man en dochter op. Het duurde lang voor de andere twee erbij kwamen. Geen koelbox.
Eigenlijk deden ze niets. Ze zaten daar maar aan die picknicktafel, met zijn drieën, het was bijna gemoedelijk. Ze zaten er de hele dag. Ze zopen, en als ze niet zopen dan rookten ze. Soms zeiden ze ‘hallo’ tegen iemand die langs hun tafel liep. Soms niet.
Vanuit onze tent telden we de sigaretten en de biertjes. Het zijn net zombies, zei ik tegen mijn vriend. Hij had te weinig B-films gezien om dit te kunnen beamen. Ik verlangde naar B-films zoals ik verlangde naar een zacht matras en een muggenvrije wereld. Nog meer dan dat verlangde ik naar andere buren.
We speelden Monopoly tot half twaalf ‘s avonds, want dat leek ons gepast als kampeerders. Ik verloor, ook al had ik al vroeg in het spel Amsterdam al compleet. Ondertussen hadden de buren een laptop gepakt – een Dell. Hun gezichten zagen blauw van de beeldschermverlichting, bijna doorschijnend.
De dochter typte wat de moeder dicteerde, waarschijnlijk omdat zij de enige was met vaste vingers. De vader plukte aan zijn snor, ik had hem nog niet één keer iets horen zeggen.

‘Sorry dat het zo is gelopen…’ Het duurde even voor ik weer iets kon verstaan. ‘Het spijt ons heel erg. We wilden niet dat het zo zou eindigen.’ Mijn vriend vroeg of we zouden gaan slapen. We bliezen de lamp uit en ritsten de tent dicht. ‘We snappen heel goed dat je boos bent,’ hoorde ik nog. Ik vroeg me af wat er gebeurd kon zijn dat hen alledrie zo speet, wat de noodzaak kon zijn om rond middernacht straalbezopen vanaf een camping een mail te gaan zitten schrijven. Ik vroeg me af wie er in het midden van hun kleine tent lag als ze gingen slapen, of de moeder en de vader nog wel eens seks hadden en of die dochter daar dan bij was – of de dochter het ook met de vader deed. Ze deden me aan Deliverance denken. En aan Calvaire.
Ik wil naar huis, zei ik zacht. Even was ik bang dat mijn vriend al sliep. Hij sloeg een arm om me heen. Eindelijk, zei hij. De volgende ochtend vertrokken we zonder te ontbijten. Aan de picknicktafel zat de moeder. Drie bordjes, brood, geen koelbox. Ze draaide shag.

Dit bericht is geplaatst in Tekst met de tags , , , , , , , , . Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *