Schaamteloosheid (in Tweets en geschrift)

De laatste tijd denk ik vaak aan wat schaamteloosheid inhoudt en aan hoe je dit het beste kunt benutten. Ik dacht altijd dat schaamteloosheid in de literatuur een pré was, dat je, als schrijver, alles op moet durven en kunnen schrijven – mits in het belang van het verhaal, essay of gedicht, natuurlijk. Zoals een chirurg niet bang moet zijn voor bloed, zo moet de schrijver zijn of haar eigen angsten en afkeren (alsook voorkeuren) opzij kunnen zetten ten gunste van het werk.
Voor blogs, columns en berichten die geplaatst worden op social media – en die tegenwoordig in zoverre op kleine (geschreven) performances lijken, dat ze gerust in één zin met schrijven genoemd kunnen worden – gelden regels die hier tegenaan schuren.
Hoe persoonlijker, knulliger en gênanter, zeg maar gerust: hoe méér ‘kijk mij eens gezellig falen’, des te beter. Dat was althans heel lang de norm (en wie weet is die norm nog altijd geldig, al beginnen sommige social media-gebruikers zich langzaamaan bewust te worden van het gebrek aan privacy dat Facebook biedt, dat je baas je Tweets ook wel eens zou kunnen lezen of hoe moeilijk het is om een filmpje van Youtube te verwijderen waarin je een lantaarnpaal staat te tongen/tegen een hoogbejaarde café-bezoeker twerkt).

Zelf vind ik het heerlijk om met dat schaamteloze te spelen. Zo heb ik geregeld mijn moeder aan de telefoon omdat zij vindt dat ik niet op Twitter mag zetten dat de kat meegaat naar de wc. Ik plaats met gemak een update over hoe ik nog in een broek pas die ik al had voor mijn ontmaagding, het scheren van mijn benen is een terugkerend thema. Ook vind ik het enorm grappig om selfies te plaatsen van nieuwe jurkjes en bier.
Mensen (lees: mijn moeder) hebben bij het lezen van die updates het idee dat ze van alles over mij te weten komen, allerlei schunnige details waarover ze kunnen gniffelen. De vraag is of dit ook werkelijk het geval is, want zo intiem is deze informatie nu ook weer niet. Daarbij: wie zegt dat mijn kat écht mee gaat naar de wc? En welke broek was dit dan? Zeggen deze zaken echt zoveel over wie ik ben, wat ik denk en waar ik mee bezig ben? Alleen ik weet daarop het antwoord. Daarmee gniffel ik dus het laatst.
Tussen al deze grapjes en flauwigheden door plaats ik sporadisch iets wat echt persoonlijk is: zo kan ik het ineens nodig vinden om de wereld te laten weten dat ik pijn heb of dat ik aan een infuus hang. Daar plaats ik rustig een foto bij. Ik doe dat niet vaak, omdat de mensen die het dichtst bij mij staan dit toch al weten. De rest is bijzaak.
Op dergelijke posts krijg ik gemiddeld evenveel reacties als op opmerkingen over mijn voornemen minder bier te drinken/die keer dat ik langs een weiland reed dat de precies dezelfde kleur had als de Sneeuwwitje-taart die ik kreeg voor mijn vierde verjaardag, dus voor aandacht hoef ik het niet te doen. Maar inderdaad, ook ik wil soms gewoon schaamteloos delen.

Sommige dingen zijn echter te persoonlijk – of juist niet persoonlijk genoegom op social media te plaatsen. Een voorbeeld hiervan kwam ik onlangs tussen mijn eigen timeline tegen, waar Facebookvriend Y een foto had geplaatst van een lijkwagen. ‘Afscheid van lieve buurman B…’ was het onderschrift. Onder de foto stonden een aantal reacties van mensen die Y sterkte wensten met dit afschuwelijke verlies.
Oké.
Mijn bezwaar tegen die post zat hem in die foto, waar niet alleen een auto op stond waar de overleden persoon in lag (al is dit op zich al een behoorlijk ziek gegeven is, want wat gaat er in je om als je besluit een foto te maken van een (gevulde) lijkwagen, tijdens een dienst?) maar die auto was ook nog eens omringd door nabestaanden, van wie ik ten zeerste betwijfel of ze op deze foto zaten te wachten. Het ging hier immers om Y’s buurman, die weliswaar ongetwijfeld enorm lief was, maar die niet Y’s vader of beste vriend was, want dan had dit daar wel gestaan. Het ging zogezegd niet om iemand in Y’s binnenste cirkel.
De foto werd overigens vijf keer geliket.
Had Y nu slechts een status geplaatst waarin ze zei dat ze naar de uitvaart van haar lieve buurman B was geweest en dat ze verdriet had om diens overlijden, dan was er niets aan de hand geweest. Dan was het iets van haar en ging het over haar verdriet. Door er een foto bij te plaatsen van een lijkwagen en nog wat nabestaanden daaromheen, betrok Y er anderen bij, niet in laatste plaats de overledene zelf, en maakte ze er – ik heb er geen ander woord voor – iets vies van.

Eenzelfde gevoel kreeg ik bij het lezen van de column van Suzanne in JAN Magazine van afgelopen augustus. Daarin schreef ze hoe schuldig ze zich voelde dat ze haar man en kinderen verliet voor schrijver Peter Buwalda (dat ze samen met de bekroonde schrijver is, werd zo prominent naar voren gebracht, dat ik het maar gewoon overneem).
Suzanne vertelde dat ze op de dag van vertrek eigenlijk haar kinderen naar school zou brengen, maar dit (“Met Keet een boekje in de kring te lezen, wetende dat ik er ‘s middags niet zou zijn”…) niet aankon. Dus zocht ze in huis drie kaarten om op de kussen van de kinderen te leggen. Ze was zelfs zo grootmoedig er één bij haar toekomstige ex neer te leggen: “Gelukkig hebben ze jou”.
Daarna volgden er meer details uit het dagelijks leven van Suzanne en over de reacties van haar kinderen op de scheiding. Zo stuurde haar oudste haar een sms waarin stond dat hij haar nooit meer wilde zien. “Kutmoeder,” schreef hij. En precies dat woord haalde de cover van JAN Magazine.
Ik vraag me af wat de bewuste zoon, nog maar 13 jaar oud, hiervan vindt.
Dat een koppel uit elkaar gaat en één van de twee vertrekt omdat hij of zij verliefd is geworden op een ander – dat snap ik. Dat is vaak hoe het gaat. Ik begrijp ook dat je daarover wilt schrijven, misschien om het van je af te praten of aandacht te generen omdat het je zeer doet, misschien om een lans te breken voor alle ‘schuldigen’ aan gebroken gezinnen.
Wat ik niet snap is hoe je dit zo letterlijk over de rug van je ex-man en kinderen kunt doen. Een detail als de inhoud van haar zoons sms, is niet iets dat je verzint. Het lijkt me evenmin vallen onder de noemer ‘kijk mij eens gezellig falen’. Net als Facebookvriend Y gebruikt Suzanne derden om zichzelf centraal te stellen, ze genereert aandacht over de ruggen van haar gezinsleden. Daarmee maakt ze iets smerigs van haar verhaal.

Waar ik denk dat het omgaat, is dat je je schaamteloosheid bij jezelf houdt. Als ik een Tweet plaats over hoe ik het huis schoonmaak met de Macarena op mijn hoofd/pas na 10 bier een beetje Duits durf te spreken/graag buikdans op Rammstein, heb ik daar alleen mezelf mee. Zelfs wanneer ik een status plaats over hoe vervelend ik het vind om bij de Albert Hein achter in de rij te staan bij iemand waarmee ik naar bed ben geweest, zeker wanneer ik alleen een Kinder Surprise en fles huiswijn hoef af te rekenen, is dat nog steeds mijn status, mijn bekentenis en mijn persoonlijke verhaal – tenzij ik die persoon bij volle naam noem. Ik beschadig daar niemand anders mee.
Ook als ik een verhaal schrijf waar autobiografische elementen in zitten (en die zitten er altijd in, bij iedereen, maar daarover een andere keer meer) doe ik dat zo, dat ik er niemand mee beschadig. Literair werk waarin hier niet zorgvuldig mee om wordt gesprongen, zorgt voor controverse waarvan ik me altijd weer afvraag wat er nu eigenlijk de functie van is. Het hoort niet om jou te gaan, niet om de ander, maar om het verhaal, toch?

Natuurlijk vlieg ik in mijn eigen schaamteloosheid wel eens uit de bocht – in Tweets en geschrift. Op dat soort momenten belt mijn moeder, die oprecht de nieuwswaardigheid van posts over katten die meegaan naar de wc betwijfelt. Is er niemand in het dorp die zichzelf zal herkennen in mijn boek? Niet geheel onterechte vragen. Ik ben echter volledig voor uit de bocht vliegen. Maar alleen als het jezelf aangaat.

Dit bericht is geplaatst in Tekst met de tags , , , , , , , , . Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *