Blauwe gordijnen

Er zijn twee soorten lezers: zij die lezen voor het plezier en zij die lezen om te leren. Laten we ze namen geven – de eerste, die goedmoedige luilak, de Bourgondiër, noemen we de lezers-lezer; de sympathiekeling met wie je over ieder boek wel een geanimeerd gesprek kunt voeren, zonder te verdwalen in een filosofische diepte waar hij niet per se nodig is.
De ander, de wikkende weger, de technicus of de laborant, die alles onderzoekt en pas geniet wanneer hij begrijpt, noemen we de schrijvers-lezer; iemand met wie je urenlang gepassioneerd kunt discussiëren over de functie van een enkel detail. Beide lezers zijn verbonden in hun liefde voor mooie verhalen, maar verschillend in hun manier van consumeren.
Laat ik er maar meteen voor uitkomen dat ik een lezers-lezer ben. Liever dan dat ik precies uitzoek waarom ik zo van een boek heb genoten, houd ik het na afloop bij ‘mooi’ of ‘er zaten een paar originele vondsten in’, van welke ik er dan best een paar wil noemen. Ik praat graag en veel over literatuur, maar waar de schrijverslezer in eerste plaats leest om wijzer te worden en zodoende altijd met een technisch oog naar een boek zal kijken, houd ik er niet van om boeken te ontleden.
Voor sommige mensen is een boek of een verhaal als een machine: je kunt er, als je wilt, allerlei onderdelen uithalen en ieder schroefje, snoertje en scharniertje oppakken om het te bekijken. Als je genoeg gezien hebt, kun je de machine weer in elkaar zetten. Hij zal het dan nog steeds doen, alsof er niets is gebeurd – een wonder! Misschien geniet je er na het terugplaatsen wel meer van, juist omdat je nu weet hoe alles werkt. Hier kenmerkt zich, zoals verwacht, de schrijvers-lezer.
Voor mij is een boek, een goed boek althans, meer dan een machine. Je kunt losse onderdelen uit het boek (de plot, de psyche van de personages, symboliek van de metaforen etc.) onder de loep nemen en terugstoppen als je klaar bent, maar werken doet hij niet meer. De magie is verbroken – en zoals een nieuwsgierig kind dat zijn goudvis uit de kom haalt, wordt overspoeld door verdriet als het de onomkeerbaarheid van zijn handeling begint te begrijpen, zo ben ook ik wel eens achtergebleven met iets levenloos waaraan ik maar bleef schudden.

Ooit volgde ik hoorcolleges van een literator die de bijzondere gave had om mooie verhalen dood te slaan. Tijdens een van zijn colleges besprak hij Disgrace, van J.M. Coetzee. Halverwege het college begon de literator over de honden in het boek. Hij diepte hun functie en symboliek helemaal uit, niets was aan toeval overgelaten.
Ik keek naar het boek in mijn handen en het leek alsof het uiteenviel, alsof ik naar zo’n tv-programma keek waar fantasiehatende mensen de goocheltrucs van grootheden verklappen: wanneer je eenmaal weet hoe de truc met de kaarten werkt, zul je er nooit meer van genieten.
Ik dacht aan een illustratie die ik op internet was tegengekomen:

FuckingBlue

Treffend en waar. Natuurlijk zal er een reden geweest zijn waarom de gordijnen blauw waren, de teacher in de illustratie zat hoogstwaarschijnlijk goed. De vraag is alleen of het benoemd moet worden, of het boek er beter van wordt als je weet dat de auteur het er bewust in heeft gestopt. De beste literaire ervaringen immers zijn die waarbij je omver geblazen wordt zonder te hoeven weten waarom, waarin je dingen gewoon voor waar aanneemt.
In dit geval – en ook in het geval van de honden van Disgrace – neem je een detail als de blauwe gordijnen in je op zonder erover na te denken wat het betekent, omdat je dat op een ander niveau (vlak onder het bewustzijn, waar het echte lezen gebeurt) al weet: het gevoel klopt. Waarom verder graven als je de schat al hebt gevonden?

Tijdens diezelfde reeks hoorcolleges besprak de literator De man zonder ziekte van Arnon Grunberg, een boek dat ik juist door zijn technische analyse en volledige ontleding met terugwerkende kracht kon waarderen. De schrijvers-lezerpet zet ik sindsdien vooral op wanneer, na een aantal hoofdstukken, blijkt dat een boek me niet bevalt. Dan kan ik er van leren. Soms draag ik zowel de lezers- als de schrijvers-leespet, maar ik merk steeds bij mezelf een lichte voorkeur voor de eerste.
Wordt de leeservaring waardevoller als je je afvraagt of die blauwe gordijnen iets te maken hebben met de gemoedstoestand van de hoofdpersoon, of je tot in den treure verdiept in de symboliek van de honden? Ik betwijfel het: liever geef ik me over aan het onbewuste.
En soms, heel soms, zijn the curtains fucking blue.

Dit bericht is geplaatst in Tekst met de tags , , , , , , , , . Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *