The Plague Dogs

(Pas op: dit stuk bevat spoilers over the Plague Dogs, zowel film als boek)

0

Jarenlang heb ik gedacht dat Richard Adams, auteur van o.a. Watership Down, het einde voor the Plague Dogs herschreef naar aanleiding van verontwaardigde lezersbrieven: smeekbedes van mensen die echt niet met de dood van hoofdpersonen Rowf en Snitter konden leven. Inmiddels weet ik dat Adams het einde herschreef op aanraden van zijn redacteur en enkele vroege ‘meelezers’ – ook discutabel, maar anders. Toch liet het idee me niet los.
Als beginnend schrijfster reikt mijn ervaring met lezersbrieven wellicht niet veel verder dan de ‘mooi’s en ‘goed gedaan’s die ik als negenjarige van directe lezers (moeder; juf) onder mijn verhaaltjes gekrabbeld zag staan. Echte brieven, verslagen van leeservaringen die emotioneel genoeg waren om het woord direct tot de schrijver te doen richten, ken ik niet, al kan ik me het vervreemdende effect die zo’n brief op een schrijver heeft wel vaag voorstellen.
Maar ik heb wel ideeën over hoe verhalen werken en hoe de posities van schrijver en lezer gehandhaafd dienen te worden. Als iemand het einde van zijn verhaal daadwerkelijk zou herschrijven op verzoek van verdrietige lezers, zou daarmee een grote fout worden begaan.

Iedere lezer van the Plague Dogs hoopt, na alle ellende die Rowf en Snitter meemaken – de hallucinaties van Snitter; de posttraumatische stress van Rowf; het opgejaagd worden omwille van de pest die ze niet bij zich dragen – dat de honden het halen, dat er voor hen een gouden mandje is. Maar het gouden mandje ligt niet in lijn met het verhaal, dus de hoop is vals.
Bovendien wordt die hoop, zowel voor lezer als personages, stelselmatig ondermijnd (in de film wordt dat vrij nadrukkelijk gedaan met het motief van de aap in de pit of despair, aan wiens verslechterende toestand de kijker kan afleiden dat er beslist geen licht aan het einde van de tunnel komt), er kan niet ineens een blij-einde-poeder over het verhaal worden gestrooid.
Als het Adams ernst was om via een fabelvertelling de lezer iets bij te brengen over dierenleed, dan zou hij als geen ander weten dat het enige licht aan het einde van de tunnel een dodenlicht is. Happily ever after voor Rowf en Snitter bestaat alleen in het idee dat het voorbij is, the Isle of Dog is de hemel. En ja, dit is absoluut het meest ondraaglijke slot dat menig lezer ooit zal tegenkomen, maar het is het enige juiste einde, want in de wereld van dierproeven en mishandeling is er geen ruimte voor verlossing.

Bovendien zouden de grenzen van de Schrijver Verhaal Lezer-driehoek worden overschreden. Daar zou Adams niet de eerste in zijn, maar het maakt het er niet minder kwalijk om.
Toen the Plague Dogs verscheen, zag de wereld (en dan vooral die van de literatuur) er heel anders uit. Er was wellicht meer afstand. Tegenwoordig echter komen schrijver, lezer en verhaal steeds dichter bij elkaar te staan. Schrijvers zijn niet langer de mysterieuze achtergrondfiguren voor wie het leven in dienst staat van het verhaal, het zijn zelf centrale figuren geworden die zich plooien naar de verwende lezer. Het verhaal verplaatst zich langzaamaan naar de achtergrond, op de voorgrond treedt de schrijver en zijn smeuïge leventje (hoe autobiografisch is uw werk; wat vond uw moeder ervan; houdt u eigenlijk van pindakaas?).
Jan van Mersbergen schreef onlangs: ‘Een schrijver is degene die aan teksten werkt, een auteur is de man die in de krant komt, die op een podium staat, de persoon in de hoofden van lezers en recensenten, het beeld dat naast de schrijver bestaat van de persoon die schrijft. Het is heel eenvoudig. Schrijven is een werkwoord. Auteuren is helemaal niks.’
Ik denk dat hij hiermee een heel belangrijk probleem aankaart dat langs het idee schuurt van schrijvers (of: auteurs) die teksten aanpassen op lezersverzoek.
De veeleisende lezer van deze tijd heeft de auteur uitgevonden. Het zal niet lang meer duren voor deze niet alleen bepaalt wat de boekhandel haalt (in Nederland doen we dat al via de monopoliepositie van enkele depressief makende talkshows), maar zal hij de pols waarmee de schrijver zijn pen vasthoudt in een wurggreep nemen en definitief bepalen wat er op papier komt.
Het punt is dat de lezer niet altijd weet wat goed voor hem is. Dat weet alleen de schrijver, die, met het schrijven van een verhaal, een bepaald doel voor ogen heeft. Het doel tijdens het schrijven van the Plague Dogs is leesbaar op iedere pagina, het druipt van het televisiescherm af voor een ieder die naar de verfilming kijkt.
Was het einde voor lezers herschreven, dan zou Adams hebben toegestaan dat de lezer zijn arm vastpakte; in zekere zin had hij daarmee zijn pen afgestaan. Adams zou zijn magische positie van schrijver hebben verloren en was vervolgens een auteur geworden. Daar had hij zichzelf, de literatuur en vooral Rowf en Snitter geen plezier mee gedaan.

Ik kwam eerder in aanraking met de verfilming van the Plague Dogs dan met het boek. Na het zien van de film was ik te moe om te huilen, te moe om te denken en te moe om te schrijven. Ik was stukgeslagen zoals alleen de allergrootste, meest urgente kunstwerken een mens kunnen stukslaan.
Pas later wist ik van het verschil tussen boek en film, en dat de film meer neigt naar het einde zoals dat in het oorspronkelijke manuscript geschreven staat. Het boekeinde kwam me voor als onnatuurlijk.
Ik had na de film een lezersbrief (of kijkersbrief, zo je wilt) kunnen schrijven met als vraag of Adams mij wilde vertellen dat er een eiland was, een gouden mandje. Omdat ik dan beter kon slapen. Maar kunst is er niet om de mens beter te doen slapen. Kunst ontregelt. Het was niet Adams doel als schrijver om mij beter te laten slapen.
Ik weet waar het gouden mandje staat – of, beter gezegd: waar niet. Het laat mij verscheurd achter. Ik ben er dankbaar voor.

Dit bericht is geplaatst in Tekst met de tags , , , , , , , , . Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *