De cocon

Omdat ik momenteel heel erg in de cocon zit en geen zin heb om een nieuw stuk te schrijven over iets dat ik eerder redelijk helder heb verwoord, volgt er nu een re-post 🙂
Onderstaande column schreef ik in het tweede jaar van de Schrijversvakschool, later gebruikte ik hem voor Youth-R-Well.com, nog veel later werd hij opgenomen in de bundel #Lolreuma.

De kat uit de column, kleine sidekick Lies (zie foto onderaan bericht), is inmiddels dood, de titel van het jeugdboek weer kwijt en de pijn is er nog steeds. Het stuk blijft akelig actueel.

De cocon

Soms is het makkelijker ergens om in te geloven als je weet hoe het eruitziet. Alleen daarom al maken mensen zich een voorstelling van God. Omdat je vrij bent die voorstelling zelf in te vullen, zijn er over de hele wereld ontelbaar veel unieke, persoonlijke Goden: soms een witbebaarde man op een wolk, een soort hogere Sinterklaas, dan weer de wind of het gras, of God in de vorm van een vrouw.
Vanzelfsprekend zijn er evenveel manieren om het geloof in die God te beleven. Eén daarvan, gelezen in een jeugdboek, is me altijd bijgebleven. Het boek verhaalde over een meisje met een verdwenen moeder, hoe ze daarmee omging. Dat deed ze zo: ‘En ik begon zelfs te bidden tot de bomen. Dat was makkelijker dan bidden tot God, want bomen zag je overal.’
Door er een duidelijker beeld of voorstelling van te maken, vond het meisje niet alleen een manier om met haar geloof om te gaan, maar ook met haar verdriet – dat zich immers in diezelfde bomen bevond. Ze maakte er iets bekends van, en daardoor werd het minder moeilijk.

Wat het meisje met haar bomen had, heb ik met mijn pijn. Natuurlijk is pijn niet gelijk aan God of het geloven daarin, maar zoals geloven misschien makkelijker gaat in iets dat je kent – van naam, gezicht of vorm – zo voelt dat voor het hebben van pijn ook. Ik kan er beter mee omgaan nu ik weet hoe het eruitziet. Ik vlucht er niet voor. Ik bekijk het. Rustig, met eerbied. En leg het dan weer weg.
Ik heb geen bomen, maar een cocon. Daar heb ik niet bewust voor gekozen, hij was er gewoon ineens. Toch klopt het wel, want een cocon ga je anders in dan dat je eruit komt.
Mijn cocon heeft de vorm van een groot, sneeuwwit ei. Als de pijn in mijn hoofd zit en niet in mijn lijf, omdat ik boos of verdrietig ben, kleurt hij zwart. En als de cocon grijs is, heb ik een kater. Of griep. (De vaste lezer hoeft zich niet lang af te vragen welke kleur de cocon van misselijkheid heeft…)
Als ik mezelf oprol, pas ik er precies in. Spinrag filtert de prikkels die van buiten komen en naar binnen willen, er komt weinig door. Het is er warm. Soms kruipt de kat erbij, dan ruikt het nog lekker ook.
Ik geef mezelf een tijd op: een uur, een dag, misschien een week, soms een kwartier. Dan ben ik even niet bereikbaar. Ik heb dan pijn. En op dat moment ben ik die pijn aan het ervaren. Dat is niet zielig, sneu of iets dat je tegen moet gaan. Het betekent gewoon dat ik erg in mijn lichaam zit – en in die pijn. En dat helpt me: het is mijn bidden tot de bomen.
Ik wacht in mijn cocon tot de tijd om is. Dat voel ik vanzelf. Dan stap ik er weer uit. Met een beetje geluk als een vlinder.

Lies

Dit bericht is geplaatst in #lolreuma met de tags , , , , , , , , , . Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *