Echo’s van mensen

Schrijver Richard de Nooy, die jullie allemaal alleen al zouden moeten volgen omwille van zijn Useless Writer Tips (maar vooral omdat hij verdraaid goede verhalen en boeken schrijft), kwam zijn moeder tegen in een filmpje uit 1922. Zijn moeder werd geboren in 1923. De Nooy was, begrijpelijkerwijze, nogal beduusd van deze ‘ontmoeting’, maar ik herken het mechanisme. Dit blog gaat over mijn eigen vreemde ontmoetingen – ok, en een beetje over die van mijn moeder.

 

Mijn oma is al tien jaar dood, ik zie haar nog vaak. Soms zit ze bij de bushalte te wachten op de 37, net als ik, en stapt ze uit bij het Amstelstation, ook net als ik. Zij neemt de metro en ik de trein: rustig stapt ze in, ze is kleiner dan ze hoort te zijn. Daar gaat ze. Richting Gein.
Soms heeft mijn oma een grote boodschappentas bij zich, dan weer draagt ze een hoed of een ronde zonnebril. Ik zie haar veel op de Dappermarkt. Als ze praat, heeft ze een zwaar accent. Nu eens eet ze een broodje bakkeljauw, een andere keer draagt ze heel veel sieraden – allemaal nep. Bijna altijd is mijn oma donker van huid. Mij ziet ze nooit.
Mijn moeder herkent dagelijks haar broer. Italiaanse mannen, Griekse mannen, Turkse mannen, boerse mannen, stoere mannen, grappige mannen, lieve mannen en vervelende mannen: hij hoeft maar een neusbrug of haarkleur gemeen te hebben of dat is K.
‘Je spreekt hem te weinig,’ opper ik.
‘Hij belde gisteren nog,’ zegt zij. Soms zwaait ze bijna, verder heeft ze er geen last van.
Mijn moeder speelt al heel lang een spel met mijn vader. Zij wijst iemand aan, op straat of op tv, en zegt: ‘Aan wie doet hij je denken?’ Mijn vader raadt het altijd goed.
Ik probeer dit ook met mijn eigen vriend, die raadt het bijna nooit.
Natuurlijk zie ik vrij vlug dat het mijn oma niet is, daar bij de bushalte of op de markt of het station. Ik zie haar overwegend vaak in Hindoestaanse vrouwen, meestal van veel hogere leeftijd dan mijn oma ooit mocht bereiken. Altijd is het een flits, een oogopslag, heel kort. Even denk ik: ‘Dag, grote oma.’ Dan is het weg, mijn onderbewustzijn heeft weer een grapje met me uitgehaald. Wat wil het me toch vertellen, iedere keer als ik haar tegenkom?

Er zijn dagen waarop iedereen op een ander lijkt, ik loop voortdurend verschrikt rond. Steeds vraag ik me af of ik moet groeten of niet. Is het hem, is het haar, zijn mijn lenzen oud, word ik seniel?
Roos van Rijswijk beschrijft in haar Tirade-blog hoe ze een zeeman op de pont ziet staan en denkt: “Sprekend een oude leraar van me. Zo sprekend dat ik zwaai en halverwege de zwaai besluit op mijn hoofd te krabben zodat de zeeman het niet ziet, ik weet al wat er aan de hand is, het is een iedereen-lijkt-op-iemand-dag.” Daar moet ik natuurlijk aan toevoegen: een iedereen-lijkt-op-mijn-oma-dag.
Paul Edgecombe, die na zijn lange leven als bewaker van de dodencellen op The Green Mile (Stephen King) in een bejaardentehuis terechtkomt, ontdekt daar een herhaling van personages: lang na het overlijden van zijn geliefde Janice ontmoet hij Elaine, van wie hij gaat houden zoals hij hield van zijn vrouw. In een van de aanwezige verzorgers ziet hij zijn aartsvijand Percy Wetmore terug, Edgecombe herkent de sadistische en stiekeme manier van treiteren.
Het wordt nergens letterlijk gezegd, maar het is duidelijk dat Paul weet wat er aan de hand is: dit is niet zijn ouder wordende brein, dat op zoek gaat naar wat het al kende, nee: deze menselijke echo’s zijn onderdeel van de straf van God.
Doordat Paul een van Zijn wonderen heeft gedood, is hij gedoemd heel lang te leven. Hij is, zoals Elaine het zegt, ‘infected with life‘. Paul overleefde Janice en zijn kinderen, zijn kleinkinderen zijn van hem vervreemd. Ook Elaine zal hij overleven. Hoe lang hij nog heeft? Paul weet het niet, hij zit het uit.

In de film Smoke wordt een weduwnaar geconfronteerd met een foto van zijn hoogzwangere vrouw, niet lang voor haar dood. De weduwnaar herkent zijn Ellen in een snik, het is een prachtige scène: even leeft ze weer, in alle alledaagsheid, even komt er bijna een kind aan. De foto brengt zijn vrouw niet terug, maar misschien maakt dit magische weerzien het gemis draaglijker, zoals de echo’s van Paul Edgecombe het gemis zowel draaglijker als ondraaglijker maken.
Ons leven staat bol van kleine keuzes die het leven draaglijk maken. Christopher, de hoofdpersoon in The curious incident with the dog in the night-time, geschreven door Mark Haddon, bepaalt aan de hand van gekleurde auto’s of het een goede dag wordt of een slechte. Het is een van zijn regels, ooit koos hij daarvoor omdat het goed voelde – al dan niet bewust.
Op straat spelen kinderen dat ze alleen over de witte strepen van het zebrapad mogen lopen, de rest is lava. Op straat spelen kinderen dat ze de randen van de stoeptegels niet mogen raken. Vraag zo’n kind waarom het de randen niet mag raken en het heeft geen idee – het is evengoed een spel als een bezwering, een klein bijgeloof. Is het schadelijk? Welnee.
Als ik een Citroën DS zie, is dat een goed teken – in tegenstelling tot bij Christopher maakt de kleur me niet uit. Verlaat ik een roltrap, dan tap ik een keer met mijn voet. Ik weet dat de wereld niet instort als ik vergeet te tappen, maar ik tap graag. Ik tap altijd rechts. En ik zie overal mijn oma, ze echoot door in gezichten van Hindoestaanse dames. Dat is geen straf van God. Misschien kies ik ervoor haar te zien, misschien is het iets anders – een magisch weerzien. Ze maakt het leven mooier.

Opaenoma

Dit bericht is geplaatst in Tekst met de tags , , , , , , , , . Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *