Ik (haten)

Onlangs werd me gevraagd iets te schrijven over mijn privéleven – liefst iets dat me echt aanging, waar ik bijvoorbeeld boos om was of me juist erg vrolijk om maakte. Mooie aanleiding, want over deze gebeurtenis – inmiddels alweer een paar jaar oud – wilde ik al heel lang schrijven.

Mijn jongste stiefzoon is tien en heeft voor het eerst huiswerk. Aan de eettafel buigt hij zich over een blaadje met werkwoordsvervoegingen, ik breng hem een glas chocomel. Middenin de opgaven, die gaan over dingen als boodschappen doen en snoep verdelen, staat:
‘Ik (haten) de nieuwe vriendin van mijn vader.’
Beeld je even de duizenden Nederlandse kinderen in die dit in groep zeven voorgeschoteld krijgen.
In een reeks opgaven met een alledaagse context is het haten van de nieuwe vriendin van je vader kennelijk de normaalste zaak van de wereld. Welke bittere idioot bedacht die opgave? Deze dame (ik weet zeker dat het een (gescheiden?) vrouw was) wilde een zin maken met ‘haten’ , zocht naar iets dat naar haar idee wel vaker door kinderen gehaat wordt en kwam uit bij het cliché van de boze stiefmoeder, waarmee kinderen door Assepoester en Sneeuwwitje al vertrouwd zijn geraakt.
Stel dat er had gestaan: ik (haten) mijn oma. Dat had nooit gekund. Woedende oma’s zouden moord en brand schreeuwen, want het is niet oké om je oma te haten.
Maar vaders nieuwe vriendin? Boeien.

Nu loopt inmiddels een op de drie langdurige relaties stuk. Kinderen met gescheiden ouders zijn niet langer de uitzondering maar eerder de norm aan het worden. Dag in dag uit doen duizenden stiefouders keihard hun best om een band op te bouwen met hun nieuwe gezinsleden.
De ironie is dat G. me wel degelijk heeft gehaat. Toen ik de kinderen van mijn vriend ontmoette was mijn angst niet zozeer wat ze van mij zouden vinden, maar eerder andersom. Ik vind niet alle kinderen leuk. Vaak denk ik aan Brigitte Kaandorp, die in een van haar sketches een heel irritant kind omschreef als zo een tegen wie ze wilde zeggen: ‘Iedereen krijgt limonade en jij lekker niet.’
Ik heb in mijn leven heel wat kinderen geen limonade willen geven. Maar hoe moet je verder met iemand als zijn of haar kinderen stom zijn? En hoe moet je verder met iemand als zijn of haar kinderen jou stom vinden? Met die optie hield ik, heel naïef, geen rekening.
Met de oudste, destijds zes, klikte het meteen. De jongste, toen drie, bleef in de deuropening staan en zei: ‘Jij woont hier niet.’ Daarna ging hij op de slaapkamer zitten mokken tot ik weg was.
Die houding hield G. drie jaar vol. Al die tijd, iedere keer als hij me negeerde (vaak) of niet luisterde (vaker) of domweg hondsbrutaal was (altijd), probeerde ik te denken: dit is een leuk jongetje. Een dapper jongetje bovendien, want zo sterk je territorium verdedigen op zo’n jonge leeftijd verdient bewondering, zij het niet hardop.

Maar ik ben geen heilige. Op een dag was ik zo ongelooflijk klaar met dat kind dat ik, bij gebrek aan limonade, uitriep: ‘Je kunt maar beter zorgen dat je me aardig vindt, want ik ga niet weg.’ Sindsdien gaat het goed – zo goed dat G. de zin doorkraste in zijn werkboek.
Zelden was deze stiefmoeder zo trots.
De volgende dag ga ik naar de juf. Ook die krast de opgave in haar boek door. Daarna mail en ik bel ik de uitgever, die zich ‘geschokt’ weet en belooft de zin in een herdruk aan te passen. G. heeft intussen een opdrachtje minder te verwerken.
We moeten onze kinderen niet willen leren haten, want daar wordt niemand gelukkiger van. En dan nog iets: haten is een zwak werkwoord. Dat kan wel wat uitdagender.

Dit bericht is geplaatst in Tekst. Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *