Superheld

Het is internationale Vrouwendag en de enige gedachte die ik daarover heb, vandaag en op dit moment, is dat mijn vrouwzijn zich definieert in moederschap. En daarin sta ik met lege handen. Ergens las ik hoe iemand zichzelf omschreef als ‘moeder, maar niet-uitvoerend’. Dat is mijn nieuwe huls, een nieuwe laag die wordt toegevoegd aan mijn identiteit – de pasvorm is verschrikkelijk juist. Mijn lege handen weten zich geen raad.

We moeten het over een aantal dingen hebben, te beginnen met het woord ‘sterk’.
‘Sterk’ is ook een laag in mijn identiteit, een woord waarin ik me al jaren wentel. Dat heeft te maken met patiënt-zijn, met het hebben van een ziekte die zowel chronisch is als onzichtbaar. Hij is er altijd, die ziekte, hij is alleen niet altijd zichtbaar, dus is er een eeuwigdurende strijd tussen wat ik voel en wat anderen eraan zien (of wat ik aan anderen laat zien, ik kom daar zometeen op terug). Sterk zijn is ook een familiekwaal, de vrouwen uit de grond waar ik vandaan kom vallen niet. Dat lijkt goed, dat lijkt dapper, dat is het misschien ook, maar ik denk steeds aan superhelden: het is allemaal leuk en aardig, die onsterfelijkheid, maar op een dag ben jij de enige die nog over is. Ik denk aan de sterkste vrouw die ik ken en hoe ik het haar zo zou gunnen dat ze eens valt, zodat iemand haar kan oprapen. En dat is ook hoe ik me voel. Niet een superheld, maar iemand die over is, iemand die heel erg graag wil vallen om opgeraapt te kunnen worden. Het gekke is: ze zijn er, er zijn er zat, mensen die me zouden oprapen. Ik hoef het alleen maar toe te laten.
Uiteraard blijf ik staan.

Iemand zei me dat ik het goed doe, op sociale media. Dat ik het delen van wat ik meemaak op de juiste manier doe, toegankelijk en ‘sterk’. Ze schrok zelf van dat laatste woord, kende de makken ervan, omdat zij net als ik patiënt is. Zelfde ziekte, eenzelfde eeuwige neiging om te blijven staan.
Ik weet niet hoe ik het doe, op Facebook en Twitter. Al jaren zijn sociale media voor mij een spel, het is inderdaad de balans zoeken tussen humor, mijn grote schild, en het tonen van mijn kwetsbaarheid, zodat anderen daarop kunnen reageren. Ik volg mensen die zonder waarschuwing hun ingewanden op de digitale tafel leggen, zonder filter, en ik snap het maar ik waak er ook voor: soms zijn de dingen te intiem, te erg, dat schrikt af, er ontstaat inflatie. Er moet bovendien een beetje waardigheid bewaard blijven.
Misschien dat ik daarom haar naam niet noem. Ik bedoel: de naam van mijn kindje. Buiten sociale media noem ik haar liefst continu, liefst klamp ik iedere voorbijganger aan om te zeggen: Weet u wel dat ik een dochter heb? En dat ze niet hier is? Maar dat doe ik niet. Wat ik wel doe, is heel rationeel en lucide praten over wat er gebeurd is, terwijl zich in mij een geluiddichte kamer bevindt waarin ik aan een stuk door aan het krijsen ben.
Die kamer, dat krijsen, dat blijft onzichtbaar.

Gisteren, vannacht en vanmorgen stortte ik in. Eigenlijk is dat maar raar, we noemen het instorten terwijl het eigenlijk niets anders is dan het toelaten van het verdriet en het aangaan van de emotie. Dus is instorten, in elk geval in dit geval, misschien wel het ultieme blijven staan – is het, o gruwel, iets sterks. Rest alleen nog de moed om me te laten oprapen.

Dit bericht is geplaatst in Tekst. Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *