Echo

Twee dingen spelen er.

  1. Ik ben boos.
  2. Mijn rug trekt.

Om met het eerst te beginnen: voor iemand die, volgens een zeer gerespecteerd P.C. Hooftprijswinnaar, ‘een groot ongeduld’ heeft voor onzin, ben ik verrassend weinig echt boos. Geïrriteerd wel, fors ook en soms wel meer dan dat, maar boos-boos niet. Meestal zit er onder mijn woede iets anders waar ik niet bijkan (VERDRIET!), het moet zich uit me vechten en dat kost tijd en energie. 28 jaar en nog altijd emotieregulatieproblemen.
Het andere – mijn rug. Soms gloeit het, dan weer prikt of trekt het. Ik weet hoe dat komt, het zit precies daar waar het bij haar openlag, alsof het een afdruk is van haar afwijking, overgetrokken op mijn huid.

De pretecho is een jaar geleden, ik leef nogal op de kalender.
Dat het een meisje was, vermoedde ik al, hoewel voorzichtig. Heel mijn volwassen leven dacht ik: ik wil zoons, zoons zijn lachen – ik kreeg er twee, hoewel niet zelfgemaakt, een derde, nu wel van mijn bloed, is onderweg. Maar toen bleek dat zij een zij was, een meisje, viel er zoveel op zijn plek: ineens besefte ik hoezeer ik, met al mijn vragen over vrouw-zijn, verlangde naar een dochter.
Lyrisch, waren we.
De echoscopist zat al honderd jaar in het vak. Vreselijk leuke man ook. Hij wees niertjes aan, telde teentjes, zoomde in op lever en hart, oortjes en ogen. Wat hij miste: haar rug. Had hij het kunnen zien? Ja. Vier signalen, echt grote signalen, miste hij volledig.

December 2018 staat voor de deur. Heel december 2017 voelde ik me rot, had moeite met mijn veranderende lijf, kon moeilijk contact maken met dat kleine welkome mensje daarbinnen, voelde me daar slecht over en wist niet hoe dat allemaal kwam – ik wilde toch zo graag zwanger zijn?
Had het uitgemaakt als we het eerder hadden geweten? Ach. Ik beviel van haar in januari en ze was schitterend, ook met afwijking. Zoveel kon ik in haar zien – een heel groot weten, vooral. Dat weten delen we, mijn dochter en ik, want nu ik haar broertje bij me draag besef ik het verschil: al die tijd heb ik gevoeld dat het niet goed zat.
En ja, als we dát eerder hadden geweten, als we dát met die pretecho hadden gehoord, dan was die hele maand december anders gegaan: aan een stuk door had ik dan contact met haar gemaakt, nog meer laten weten hoe welkom ze was, hoe we haar, als we dachten dat we haar een waardig leven konden bieden, de rest van ons leven op onze ruggen hadden gedragen. Nu moesten we dat allemaal in die vijf dagen tussen diagnose en bevalling proppen. Dat is het enige waarover ik wroeging heb.

Mocht iemand zich afvragen waarom ik nu toch zo diep in mijn buik zit, de hele tijd zo met dat moederschip bezig ben: omdat met haar broertje niet hetzelfde gaat gebeuren. Niks proppen, nu voelen, ook voor haar. Boos, rugpijn of verdrietig: ik zit de hele dag in mijn buik.

Dit bericht is geplaatst in Tekst. Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *