Over Leviathan: een chronisch gebrek aan verlossing

Wanneer het om films gaat, heb ik een lichte voorkeur voor het naakte uitzichtloze. Anders dan bij literatuur, waar ik beslist minder moeite heb met enige vrolijkheid en nuance, of muziek, waarnaar ik voornamelijk luister om te kalmeren (dat dit laatste het best lukt bij Rammstein is weer een ander verhaal) is een film voor mij pas echt geslaagd als ik er een emotionele kater aan overhoud.
Waar die voorkeur vandaan komt? Geen idee.
Regisseurs als Ulrich Seidl, Lars von Trier en Michael Haneke reken ik tot mijn helden en buiten hun oeuvres spreek ik met grote regelmaat enthousiast over The Plague Dogs, Deliverance en Calvaire, van welke ik de laatste twee geïnteresseerden graag aanbeveel onder de noemer ‘varkens neuken’.
Sinds afgelopen vrijdag kan ik het Russische Leviathan aan dit favorietenlijstje toevoegen.
Wat deze films en een groot deel van het werk van de genoemde regisseurs gemeen hebben, is een chronisch gebrek aan verlossing. Niet alleen dat, je wordt als kijker zelfs behoorlijk bestraft voor het hopen op iets dergelijks: in Funny Games van Haneke wordt moeiteloos door de vierde wand gebroken om de kijker te wijzen op zijn eigen verlangens, hypocrisie en medeplichtigheid. In boeken komt een dergelijk moraalmoment vaak ongeloofwaardig over, doordat het lijkt of de schrijver het overneemt van het personage – ‘zo, en nu ga ik even wat zeggen’. In Funny Games, waarover je zou kunt beweren dat Haneke het zelf even overneemt, is de truc even hooghartig als cynisch. Het is effectief.
De films zijn allen stuk voor stuk duidelijk in wat ze de kijker willen overbrengen. Natuurlijk kun je een en ander dubbelzinnig opvatten – zie Antichrist of Dogville van Lars von Trier of Das Weisse Band van Haneke – maar het gevoel, de premisse, is helder. De regisseurs zijn niet te beroerd enige opvattingen over het leven met geweld in je gezicht te smeren en dit van begin tot eind te herhalen – nogmaals, zie Funny Games.
Paradies Liebe van Seidl begint met een tergend lange scène waarin een stel geestelijk onfortuinlijken een rit in de botsautootjes beleeft. Die rit is nogal klinisch en onsmakelijk dichtbij gefilmd, je kijkt naar iets waar je eigenlijk niet naar zou moeten willen kijken – of in ieder geval niet op deze manier, het is even intiem als een masturbatie-scène. Deze setting komt niet letterlijk terug in de film, de film zou prima zonder kunnen, toch is hij belangrijk: hij zet de kijker in de juiste stoel, namelijk die van het fysieke ongemak.
Der Siebente Kontinent, naar mijn idee Haneke’s beste, doet iets soortgelijks. Deze film, over een gezin dat zelfmoord pleegt, begint met een minuten durende scène in een wasstraat. Er gebeurt niets, het gezin zit gewoon met zijn drieën in een auto, en tegelijkertijd gebeurt alles – strikt genomen is het een samenvatting van wat komen gaat, niet letterlijk maar emotioneel. Tegelijkertijd is het een prachtig contrast, zo’n scène waarin iets wordt schoongemaakt terwijl de rest van de film uitsluitend destructie in beeld brengt. De scène in de wasstraat wekt een even desolaat gevoel op bij de kijker als de scène waarin de vader het aquarium sloopt.

Dan Leviathan, een film waarin men al tijdens de eerste minuten aanvoelt dat hier enkel verliezers uit zullen komen. Prachtige shots van een extreem lege omgeving dragen bij aan een gevoel van onrechtvaardigheid, van uitzichtloosheid, van (geestelijke) armoede.
Sterk aan Leviathan vond ik dat het een vrij rechtlijnig verhaal was. Gebeurtenis volgde op gebeurtenis op gebeurtenis tot de film op een gegeven moment afgelopen was. Wanneer je dacht dat het niet erger kon, werd het toch nog een tandje erger. Er was, net als in Der Siebente Kontinent, Calvaire en Paradies Liebe, geen ruimte om een en ander anders te interpreteren. Licht aan het einde van de tunnel was er zeker niet.
Als toetje in Leviathan werd de boodschap nog even als een koude sneeuwbal in het gezicht van de kijker gewreven met een kerkscène die veel langer duurde dan noodzakelijk was. Lag het er dicht bovenop? Ja. Is dat erg? Nee. In een tijd waarin films niet metaforisch, moraal-neutraal of open genoeg kunnen zijn, is het behoorlijk verfrissend.

[youtube=http://www.youtube.com/watch?v=AGM73TuKCg4]
Der Siebente Kontinent

Meer meninkjes en ideeën over films? Zie hier, hier en hier.

Geplaatst in Tekst | Getagged , , , , , , , , , , , | Een reactie plaatsen

De cocon

Omdat ik momenteel heel erg in de cocon zit en geen zin heb om een nieuw stuk te schrijven over iets dat ik eerder redelijk helder heb verwoord, volgt er nu een re-post 🙂
Onderstaande column schreef ik in het tweede jaar van de Schrijversvakschool, later gebruikte ik hem voor Youth-R-Well.com, nog veel later werd hij opgenomen in de bundel #Lolreuma.

De kat uit de column, kleine sidekick Lies (zie foto onderaan bericht), is inmiddels dood, de titel van het jeugdboek weer kwijt en de pijn is er nog steeds. Het stuk blijft akelig actueel.

De cocon

Soms is het makkelijker ergens om in te geloven als je weet hoe het eruitziet. Alleen daarom al maken mensen zich een voorstelling van God. Omdat je vrij bent die voorstelling zelf in te vullen, zijn er over de hele wereld ontelbaar veel unieke, persoonlijke Goden: soms een witbebaarde man op een wolk, een soort hogere Sinterklaas, dan weer de wind of het gras, of God in de vorm van een vrouw.
Vanzelfsprekend zijn er evenveel manieren om het geloof in die God te beleven. Eén daarvan, gelezen in een jeugdboek, is me altijd bijgebleven. Het boek verhaalde over een meisje met een verdwenen moeder, hoe ze daarmee omging. Dat deed ze zo: ‘En ik begon zelfs te bidden tot de bomen. Dat was makkelijker dan bidden tot God, want bomen zag je overal.’
Door er een duidelijker beeld of voorstelling van te maken, vond het meisje niet alleen een manier om met haar geloof om te gaan, maar ook met haar verdriet – dat zich immers in diezelfde bomen bevond. Ze maakte er iets bekends van, en daardoor werd het minder moeilijk.

Wat het meisje met haar bomen had, heb ik met mijn pijn. Natuurlijk is pijn niet gelijk aan God of het geloven daarin, maar zoals geloven misschien makkelijker gaat in iets dat je kent – van naam, gezicht of vorm – zo voelt dat voor het hebben van pijn ook. Ik kan er beter mee omgaan nu ik weet hoe het eruitziet. Ik vlucht er niet voor. Ik bekijk het. Rustig, met eerbied. En leg het dan weer weg.
Ik heb geen bomen, maar een cocon. Daar heb ik niet bewust voor gekozen, hij was er gewoon ineens. Toch klopt het wel, want een cocon ga je anders in dan dat je eruit komt.
Mijn cocon heeft de vorm van een groot, sneeuwwit ei. Als de pijn in mijn hoofd zit en niet in mijn lijf, omdat ik boos of verdrietig ben, kleurt hij zwart. En als de cocon grijs is, heb ik een kater. Of griep. (De vaste lezer hoeft zich niet lang af te vragen welke kleur de cocon van misselijkheid heeft…)
Als ik mezelf oprol, pas ik er precies in. Spinrag filtert de prikkels die van buiten komen en naar binnen willen, er komt weinig door. Het is er warm. Soms kruipt de kat erbij, dan ruikt het nog lekker ook.
Ik geef mezelf een tijd op: een uur, een dag, misschien een week, soms een kwartier. Dan ben ik even niet bereikbaar. Ik heb dan pijn. En op dat moment ben ik die pijn aan het ervaren. Dat is niet zielig, sneu of iets dat je tegen moet gaan. Het betekent gewoon dat ik erg in mijn lichaam zit – en in die pijn. En dat helpt me: het is mijn bidden tot de bomen.
Ik wacht in mijn cocon tot de tijd om is. Dat voel ik vanzelf. Dan stap ik er weer uit. Met een beetje geluk als een vlinder.

Lies

Geplaatst in #lolreuma | Getagged , , , , , , , , , | Een reactie plaatsen

Wereldreumadag

Of: soms plaats ik ziekenhuiskiekjes omdat ik aandacht wil.

Omdat het Wereldreumadag is, wilde ik over reuma schrijven. Ik begon een paar keer, had zelfs aantekeningen gemaakt die mijn gedachtegang konden ondersteunen, maar steeds weer stokte ik.
Eigenlijk wilde ik een stukje schrijven over begrip, over dat lastige ‘wat doe jij?’ moment, maar dat had ik al eens gedaan. Nieuwe pogingen klonken zo bozig, liefst wilde ik een positief stukje plaatsen. Maar dat is nu juist zo lastig aan reuma, aan (chronische) ziekte in het algemeen: hoe goed het ook gaat, het is zo altijd aanwezig. Dat is niet positief.

Ik heb sinds tijden een heel vervelende gewoonte, namelijk het plaatsen van ziekenhuiskiekjes en infuusselfie’s op diverse social media. Daarmee overtreed ik enkele ongeschreven wetten, zoals dat alles positief danwel grappig en lollig moet zijn op Facebook.
Een van de minst lollige zaken aan mijn leven is wel het infuus.
Het infuus, ik schreef het al eerder, maakt mijn reuma groot en tastbaar. Zodra het moment van prikken daar is, word ik de meest dwingende en neurotische versie van mezelf. Dan vind ik mezelf helemaal niet leuk. Zit het ding er eenmaal in, dan ben ik twee uur lang tot weinig anders in staat dan ernaar te kijken en langzaam een beetje duizelig te worden, wat enkel kan worden tegengegaan wanneer iemand zo vriendelijk is me continu af te leiden. Zei ik continu? Ik bedoel CONTINU – tegenwoordig begrijp ik heel sterk waarom er zoiets bestaat als Cliniclowns. Het laatste half uur voel ik het buisje echt ‘zitten’ en word ik langzaam aan een beetje labiel.
In het begin kon ik er niet naar kijken. Verplegers bonden mijn arm in en legden er een warme handdoek overheen. Nu kijk ik er wel naar – niet naar de injectie zelf, maar de constructie die eruit volgt, het buisje dat mijn huid ingaat, het blauwe dopje, de pleisterberg die de boel op zijn plek houdt. Ik probeer aan het uitzicht te wennen en de esthetiek achter het kleine kreng te ontdekken, zodat ik hem in elk geval, naast zeer welkome toediener van medicatie, als een ‘schoon ding’ kan waarderen. Een Instagramfilter helpt daarbij.

Ik zal de laatste zijn die deze discussie opnieuw wil openen, maar feit blijft dat Facebook, Twitter en al dan niet meer een grote Goed Nieuws Show zijn. Zo post ik in de regel geen foto’s van mislukkelingen en dingen die niet grappig maar alleen gênant zijn. Wanneer ik iets deel dat echt vervelend of verdrietig is, voelt het al gauw alsof ik een grens overga: wanneer vertel je iets oprecht en wanneer doe je het om de verkeerde redenen (schaamteloosheid, overmatig aandacht vragen, een vergevorderde narcistische persoonlijkheidsstoornis)? Wat wil ik bereiken als ik mezelf via Facebook incheck op de dagbehandeling of een foto plaats van mezelf aan mijn infuuspaal?
Natuurlijk wil ik aandacht. Patiënten zijn een aparte diersoort, ze zijn in de regel niet makkelijk en ook niet altijd de meest sympathieke. Onlangs lag ik op dagbehandeling naast een vrouw die de hele dag moest blijven. Haar medicijnen bezorgden haar vreselijke hoofdpijn, we werden allen verzocht zo zacht mogelijk te praten. Dat probeerden we, maar wie op een overvolle zaal ligt kan helaas geen stiltecoupé afdwingen. De vrouw droeg haar lijden heel erg uit: wij moesten het als rest van de zaal de hele tijd voelen, haar hoofdpijn – heel irritant, maar ook heel herkenbaar. Toen ik door medicatie alsmaar misselijk was, wilde ik ook dat iedereen dat wist, vooral degenen die niet misselijk waren. En soms, als ik echt pijn heb, wil ik dat jij dat weet, iederéén moet het dan weten, vooral degenen die geen pijn hebben.

De prikangst wordt minder maar het infuus blijft groot. Tussen alle grapjes en updates over de leuke dingen die ik ook doe door, wil ik dat anderen dit zien. Ik dring het je op. Zo veel dring ik je verder niet op, niet op Facebook (mijn katten en Pokemongrapjes daargelaten) en als het goed is ook niet in het echt: mijn reuma, het bezittelijk voornaamwoord zegt het al, houd ik het liefst bij mezelf. Maar ik wil niet dat anderen het vergeten.
Als het niet begrepen wordt, hoop ik in elk geval dat anderen me dit vergeven.
Schermafbeelding 2014-10-12 om 09.20.11Schermafbeelding 2014-10-11 om 10.27.04
Hier nog twee sypersympathieke pogingen de esthetiek achter het infuus te waarderen.

Geplaatst in #lolreuma, Uncategorized | Getagged , , , , , , , , | Een reactie plaatsen

The Reunion

Losse gedachten over The Reunion van Anna Odell.

[youtube=http://www.youtube.com/watch?v=tbAFG8XDS28]

Anna Odell zoekt iets en ze vindt het niet. Dat is een tragisch gegeven, zeker wanneer je die gedachte verbindt aan het hoofdthema van de film: pesten. The Reunion is opgedeeld in twee delen, het eerste bestaat uit een korte speelfilm waarin Anna een schoolreünie bezoekt. Anna speelt zichzelf, acteurs spelen haar klasgenoten. Wat een gezellig feest moet worden, ontaardt dankzij Anna’s ‘optreden’ in psychologisch geweld zoals je dit alleen van Scandinavische cinema kunt verwachten. Het is een wrange, koude film, de vergelijkingen met Festen zijn bijna te makkelijk gevonden (speeches, iemand?).

In het tweede deel zoekt Anna haar echte klasgenoten van vroeger op: de grootste pestkoppen; de meelopers; de inmiddels volwassen vrouw die haar niet uitnodigde voor de daadwerkelijke reünie. Schokkend is hoe normaal al die mensen zijn, je verwacht monsters en je krijgt je buurvrouw, je vriend, de buschauffeur.
Haast iedereen die Anna spreekt over vroeger ontkent, zwakt af, schuift de schuld af op een ander – als ze al personen te pakken krijgt. Een dieptepunt in deze ontmoeting is die met Henrik, één van de ergste plaaggeesten. Hij geeft te kennen Anna nog steeds raar en oninteressant te vinden, in deze afwijzende houding is hij bovendien onaantastbaar: twintig jaar later wil hij haar nog steeds niet kennen. En Anna blijft maar doorgaan, ver voorbij de grenzen van ongemakkelijkheid.
Je mag het niet zeggen, maar ik kan me best voorstellen dat Anna vroeger werd gepest, dat zij die ene was die iedereen wel in de klas heeft gehad – en niet wilde zijn. Als je tien kinderen op een rij zet, moet je toch een aardige voorspelling kunnen maken, je moet toch vrij vlug kunnen zien wie hier een verhoogd risico met zich meedraagt, wie er zwakker lijkt dan de rest – en zo moet je evengoed al snel kunnen raden wie zich tot de alfa zal ontwikkelen. In de natuur gebruiken ook de jongen geweld, bijten elkaar dood, schoppen elkaar uit het nest, het is survival of the fittest. Als ‘beschaafde’ soort hebben wij het geweld afgeschaft. Of niet?
Ik weet niet of die ontmoetingen echt zijn of gespeeld. Dat doet er ook niet toe. Wat is het dat Anna zocht? Erkenning, vergelding, spijtbetuigingen? Henrik, gespeeld of niet, laat haar de cynische waarheid zien: soms krijg je het gewoon niet. Aan het einde van de film speelt een liedje dat even hysterisch en beschadigd klinkt als dat Anna uit haar ogen kijkt: the war is over. Rest alleen nog de vraag wie hem heeft gewonnen.
Geplaatst in Tekst | Getagged , , , , | 1 reactie

The Plague Dogs

(Pas op: dit stuk bevat spoilers over the Plague Dogs, zowel film als boek)

0

Jarenlang heb ik gedacht dat Richard Adams, auteur van o.a. Watership Down, het einde voor the Plague Dogs herschreef naar aanleiding van verontwaardigde lezersbrieven: smeekbedes van mensen die echt niet met de dood van hoofdpersonen Rowf en Snitter konden leven. Inmiddels weet ik dat Adams het einde herschreef op aanraden van zijn redacteur en enkele vroege ‘meelezers’ – ook discutabel, maar anders. Toch liet het idee me niet los.
Als beginnend schrijfster reikt mijn ervaring met lezersbrieven wellicht niet veel verder dan de ‘mooi’s en ‘goed gedaan’s die ik als negenjarige van directe lezers (moeder; juf) onder mijn verhaaltjes gekrabbeld zag staan. Echte brieven, verslagen van leeservaringen die emotioneel genoeg waren om het woord direct tot de schrijver te doen richten, ken ik niet, al kan ik me het vervreemdende effect die zo’n brief op een schrijver heeft wel vaag voorstellen.
Maar ik heb wel ideeën over hoe verhalen werken en hoe de posities van schrijver en lezer gehandhaafd dienen te worden. Als iemand het einde van zijn verhaal daadwerkelijk zou herschrijven op verzoek van verdrietige lezers, zou daarmee een grote fout worden begaan.

Iedere lezer van the Plague Dogs hoopt, na alle ellende die Rowf en Snitter meemaken – de hallucinaties van Snitter; de posttraumatische stress van Rowf; het opgejaagd worden omwille van de pest die ze niet bij zich dragen – dat de honden het halen, dat er voor hen een gouden mandje is. Maar het gouden mandje ligt niet in lijn met het verhaal, dus de hoop is vals.
Bovendien wordt die hoop, zowel voor lezer als personages, stelselmatig ondermijnd (in de film wordt dat vrij nadrukkelijk gedaan met het motief van de aap in de pit of despair, aan wiens verslechterende toestand de kijker kan afleiden dat er beslist geen licht aan het einde van de tunnel komt), er kan niet ineens een blij-einde-poeder over het verhaal worden gestrooid.
Als het Adams ernst was om via een fabelvertelling de lezer iets bij te brengen over dierenleed, dan zou hij als geen ander weten dat het enige licht aan het einde van de tunnel een dodenlicht is. Happily ever after voor Rowf en Snitter bestaat alleen in het idee dat het voorbij is, the Isle of Dog is de hemel. En ja, dit is absoluut het meest ondraaglijke slot dat menig lezer ooit zal tegenkomen, maar het is het enige juiste einde, want in de wereld van dierproeven en mishandeling is er geen ruimte voor verlossing.

Bovendien zouden de grenzen van de Schrijver Verhaal Lezer-driehoek worden overschreden. Daar zou Adams niet de eerste in zijn, maar het maakt het er niet minder kwalijk om.
Toen the Plague Dogs verscheen, zag de wereld (en dan vooral die van de literatuur) er heel anders uit. Er was wellicht meer afstand. Tegenwoordig echter komen schrijver, lezer en verhaal steeds dichter bij elkaar te staan. Schrijvers zijn niet langer de mysterieuze achtergrondfiguren voor wie het leven in dienst staat van het verhaal, het zijn zelf centrale figuren geworden die zich plooien naar de verwende lezer. Het verhaal verplaatst zich langzaamaan naar de achtergrond, op de voorgrond treedt de schrijver en zijn smeuïge leventje (hoe autobiografisch is uw werk; wat vond uw moeder ervan; houdt u eigenlijk van pindakaas?).
Jan van Mersbergen schreef onlangs: ‘Een schrijver is degene die aan teksten werkt, een auteur is de man die in de krant komt, die op een podium staat, de persoon in de hoofden van lezers en recensenten, het beeld dat naast de schrijver bestaat van de persoon die schrijft. Het is heel eenvoudig. Schrijven is een werkwoord. Auteuren is helemaal niks.’
Ik denk dat hij hiermee een heel belangrijk probleem aankaart dat langs het idee schuurt van schrijvers (of: auteurs) die teksten aanpassen op lezersverzoek.
De veeleisende lezer van deze tijd heeft de auteur uitgevonden. Het zal niet lang meer duren voor deze niet alleen bepaalt wat de boekhandel haalt (in Nederland doen we dat al via de monopoliepositie van enkele depressief makende talkshows), maar zal hij de pols waarmee de schrijver zijn pen vasthoudt in een wurggreep nemen en definitief bepalen wat er op papier komt.
Het punt is dat de lezer niet altijd weet wat goed voor hem is. Dat weet alleen de schrijver, die, met het schrijven van een verhaal, een bepaald doel voor ogen heeft. Het doel tijdens het schrijven van the Plague Dogs is leesbaar op iedere pagina, het druipt van het televisiescherm af voor een ieder die naar de verfilming kijkt.
Was het einde voor lezers herschreven, dan zou Adams hebben toegestaan dat de lezer zijn arm vastpakte; in zekere zin had hij daarmee zijn pen afgestaan. Adams zou zijn magische positie van schrijver hebben verloren en was vervolgens een auteur geworden. Daar had hij zichzelf, de literatuur en vooral Rowf en Snitter geen plezier mee gedaan.

Ik kwam eerder in aanraking met de verfilming van the Plague Dogs dan met het boek. Na het zien van de film was ik te moe om te huilen, te moe om te denken en te moe om te schrijven. Ik was stukgeslagen zoals alleen de allergrootste, meest urgente kunstwerken een mens kunnen stukslaan.
Pas later wist ik van het verschil tussen boek en film, en dat de film meer neigt naar het einde zoals dat in het oorspronkelijke manuscript geschreven staat. Het boekeinde kwam me voor als onnatuurlijk.
Ik had na de film een lezersbrief (of kijkersbrief, zo je wilt) kunnen schrijven met als vraag of Adams mij wilde vertellen dat er een eiland was, een gouden mandje. Omdat ik dan beter kon slapen. Maar kunst is er niet om de mens beter te doen slapen. Kunst ontregelt. Het was niet Adams doel als schrijver om mij beter te laten slapen.
Ik weet waar het gouden mandje staat – of, beter gezegd: waar niet. Het laat mij verscheurd achter. Ik ben er dankbaar voor.

Geplaatst in Tekst | Getagged , , , , , , , , | Een reactie plaatsen

Blauwe gordijnen

Er zijn twee soorten lezers: zij die lezen voor het plezier en zij die lezen om te leren. Laten we ze namen geven – de eerste, die goedmoedige luilak, de Bourgondiër, noemen we de lezers-lezer; de sympathiekeling met wie je over ieder boek wel een geanimeerd gesprek kunt voeren, zonder te verdwalen in een filosofische diepte waar hij niet per se nodig is.
De ander, de wikkende weger, de technicus of de laborant, die alles onderzoekt en pas geniet wanneer hij begrijpt, noemen we de schrijvers-lezer; iemand met wie je urenlang gepassioneerd kunt discussiëren over de functie van een enkel detail. Beide lezers zijn verbonden in hun liefde voor mooie verhalen, maar verschillend in hun manier van consumeren.
Laat ik er maar meteen voor uitkomen dat ik een lezers-lezer ben. Liever dan dat ik precies uitzoek waarom ik zo van een boek heb genoten, houd ik het na afloop bij ‘mooi’ of ‘er zaten een paar originele vondsten in’, van welke ik er dan best een paar wil noemen. Ik praat graag en veel over literatuur, maar waar de schrijverslezer in eerste plaats leest om wijzer te worden en zodoende altijd met een technisch oog naar een boek zal kijken, houd ik er niet van om boeken te ontleden.
Voor sommige mensen is een boek of een verhaal als een machine: je kunt er, als je wilt, allerlei onderdelen uithalen en ieder schroefje, snoertje en scharniertje oppakken om het te bekijken. Als je genoeg gezien hebt, kun je de machine weer in elkaar zetten. Hij zal het dan nog steeds doen, alsof er niets is gebeurd – een wonder! Misschien geniet je er na het terugplaatsen wel meer van, juist omdat je nu weet hoe alles werkt. Hier kenmerkt zich, zoals verwacht, de schrijvers-lezer.
Voor mij is een boek, een goed boek althans, meer dan een machine. Je kunt losse onderdelen uit het boek (de plot, de psyche van de personages, symboliek van de metaforen etc.) onder de loep nemen en terugstoppen als je klaar bent, maar werken doet hij niet meer. De magie is verbroken – en zoals een nieuwsgierig kind dat zijn goudvis uit de kom haalt, wordt overspoeld door verdriet als het de onomkeerbaarheid van zijn handeling begint te begrijpen, zo ben ook ik wel eens achtergebleven met iets levenloos waaraan ik maar bleef schudden.

Ooit volgde ik hoorcolleges van een literator die de bijzondere gave had om mooie verhalen dood te slaan. Tijdens een van zijn colleges besprak hij Disgrace, van J.M. Coetzee. Halverwege het college begon de literator over de honden in het boek. Hij diepte hun functie en symboliek helemaal uit, niets was aan toeval overgelaten.
Ik keek naar het boek in mijn handen en het leek alsof het uiteenviel, alsof ik naar zo’n tv-programma keek waar fantasiehatende mensen de goocheltrucs van grootheden verklappen: wanneer je eenmaal weet hoe de truc met de kaarten werkt, zul je er nooit meer van genieten.
Ik dacht aan een illustratie die ik op internet was tegengekomen:

FuckingBlue

Treffend en waar. Natuurlijk zal er een reden geweest zijn waarom de gordijnen blauw waren, de teacher in de illustratie zat hoogstwaarschijnlijk goed. De vraag is alleen of het benoemd moet worden, of het boek er beter van wordt als je weet dat de auteur het er bewust in heeft gestopt. De beste literaire ervaringen immers zijn die waarbij je omver geblazen wordt zonder te hoeven weten waarom, waarin je dingen gewoon voor waar aanneemt.
In dit geval – en ook in het geval van de honden van Disgrace – neem je een detail als de blauwe gordijnen in je op zonder erover na te denken wat het betekent, omdat je dat op een ander niveau (vlak onder het bewustzijn, waar het echte lezen gebeurt) al weet: het gevoel klopt. Waarom verder graven als je de schat al hebt gevonden?

Tijdens diezelfde reeks hoorcolleges besprak de literator De man zonder ziekte van Arnon Grunberg, een boek dat ik juist door zijn technische analyse en volledige ontleding met terugwerkende kracht kon waarderen. De schrijvers-lezerpet zet ik sindsdien vooral op wanneer, na een aantal hoofdstukken, blijkt dat een boek me niet bevalt. Dan kan ik er van leren. Soms draag ik zowel de lezers- als de schrijvers-leespet, maar ik merk steeds bij mezelf een lichte voorkeur voor de eerste.
Wordt de leeservaring waardevoller als je je afvraagt of die blauwe gordijnen iets te maken hebben met de gemoedstoestand van de hoofdpersoon, of je tot in den treure verdiept in de symboliek van de honden? Ik betwijfel het: liever geef ik me over aan het onbewuste.
En soms, heel soms, zijn the curtains fucking blue.

Geplaatst in Tekst | Getagged , , , , , , , , | Een reactie plaatsen

Waarom ik gek op mijn infuus ben

(#Lolreuma is inmiddels te bestellen en ik ben al enige tijd gestopt als columniste voor Youth-R-Well.com, maar dat wil nog niet zeggen dat ik ben uitgeschreven over reuma.)

Vanmorgen kreeg ik mijn infuus. Nog altijd gaan er vele neuroses aan de injectie vooraf, maar er zit iets behoorlijk paradoxaals aan mijn omgang met de spuit zelf. Laat ik het maar gewoon zo zeggen: ondanks mijn prikangst ben ik enorm aan mijn infuus gehecht – ik kijk er iedere maand weer naar uit om naar het UMC te rijden en op D2-West ‘aan de lijn’ te liggen, al is het maar voor anderhalf uur.
Waarom, zul je je misschien afvragen? Omdat die anderhalf uur het voor mij echt maakt.

Onlangs is het Reumafonds een prachtige campagne gestart, die als doel heeft (jeugd)reuma, en dan met name de ongrijpbaarheid ervan, onder de aandacht te brengen. Mijn lieve vriendinnetje Marloes zit in één van de filmpjes en daarmee vormt zij één van de gezichten van die campagne. Dat doet ze erg mooi en goed, kijk maar.
Die ongrijpbaarheid is iets waar ik zelf ook veel last van heb. Als ik een goede dag heb, zie je het nauwelijks aan me. Ik heb niet veel zwellingen, draag nog wel eens kekke laarsjes (ja echt, ik heb kekke laarzen, ze zijn zilver) en soms loop ik redelijk recht. Dan heb je geen idee. Op slechte dagen laat ik me niet gauw zien.
Wanneer ik een vreemde moet uitleggen wat ik heb, ben ik altijd koortsachtig op zoek naar bewijs, naar een beeld of een woord dat precies de kern van het hebben van reuma samenvat, zonder dat ik daarvoor te diep moet ingaan op zaken die mijn gesprekspartner niets aangaan (zoals: hoe ik aan mijn geld kom, hoe mijn dag eruitziet, of mijn vriend het allemaal wel begrijpt en OF IK NIET EENS EEN BAAN MOET GAAN ZOEKEN?!!).
Strikt genomen zoek ik iets dat mijn ziekte legitimeert, iets dat de reuma precies op de juiste plek in de pikorde van het ziek-zijn zet – alles om er maar voor te zorgen dat er niet wordt gereageerd met: ‘joh, maar dat valt toch allemaal wel mee?
Het infuus doet dat. Zodra iemand duidelijk wordt dat ik een ziekte heb waarbij het nodig is dat ik één keer per maand een paar uur op dagbehandeling doorbreng, dat ik één per maand aan een infuus lig, begrijpt diegene de omvang van mijn afwijking beter. Dan is er geen twijfel meer over ernst of ongrijpbaarheid. Er is vaak zelfs helemaal niet zoveel onbegrip meer. (Onbegrip is trouwens iets anders dan het hele plaatje niet kunnen bevatten. In die laatste zit niet per se onwil. Onbegrip heeft in de kern vaak van alles te maken met onwil.)
Ook tegen mezelf moet ik soms hardop zeggen: ‘Ik heb een ziekte waarbij het nodig is dat ik op mijn 23e (!) elke maand een ochtend in het ziekenhuis aan een infuus lig. Daar is niets aanstellerigs aan.’ Gewoon, omdat dat het echt maakt. Dat scheelt een hoop binnenwrok. Soms maakt het het accepteren van de reuma net iets minder moeilijk.
Daarbij werkt die hele handel ook nog eens als een tiet.

Geplaatst in #lolreuma | Getagged , , , , , , , | Een reactie plaatsen

Schaamteloosheid (in Tweets en geschrift)

De laatste tijd denk ik vaak aan wat schaamteloosheid inhoudt en aan hoe je dit het beste kunt benutten. Ik dacht altijd dat schaamteloosheid in de literatuur een pré was, dat je, als schrijver, alles op moet durven en kunnen schrijven – mits in het belang van het verhaal, essay of gedicht, natuurlijk. Zoals een chirurg niet bang moet zijn voor bloed, zo moet de schrijver zijn of haar eigen angsten en afkeren (alsook voorkeuren) opzij kunnen zetten ten gunste van het werk.
Voor blogs, columns en berichten die geplaatst worden op social media – en die tegenwoordig in zoverre op kleine (geschreven) performances lijken, dat ze gerust in één zin met schrijven genoemd kunnen worden – gelden regels die hier tegenaan schuren.
Hoe persoonlijker, knulliger en gênanter, zeg maar gerust: hoe méér ‘kijk mij eens gezellig falen’, des te beter. Dat was althans heel lang de norm (en wie weet is die norm nog altijd geldig, al beginnen sommige social media-gebruikers zich langzaamaan bewust te worden van het gebrek aan privacy dat Facebook biedt, dat je baas je Tweets ook wel eens zou kunnen lezen of hoe moeilijk het is om een filmpje van Youtube te verwijderen waarin je een lantaarnpaal staat te tongen/tegen een hoogbejaarde café-bezoeker twerkt).

Zelf vind ik het heerlijk om met dat schaamteloze te spelen. Zo heb ik geregeld mijn moeder aan de telefoon omdat zij vindt dat ik niet op Twitter mag zetten dat de kat meegaat naar de wc. Ik plaats met gemak een update over hoe ik nog in een broek pas die ik al had voor mijn ontmaagding, het scheren van mijn benen is een terugkerend thema. Ook vind ik het enorm grappig om selfies te plaatsen van nieuwe jurkjes en bier.
Mensen (lees: mijn moeder) hebben bij het lezen van die updates het idee dat ze van alles over mij te weten komen, allerlei schunnige details waarover ze kunnen gniffelen. De vraag is of dit ook werkelijk het geval is, want zo intiem is deze informatie nu ook weer niet. Daarbij: wie zegt dat mijn kat écht mee gaat naar de wc? En welke broek was dit dan? Zeggen deze zaken echt zoveel over wie ik ben, wat ik denk en waar ik mee bezig ben? Alleen ik weet daarop het antwoord. Daarmee gniffel ik dus het laatst.
Tussen al deze grapjes en flauwigheden door plaats ik sporadisch iets wat echt persoonlijk is: zo kan ik het ineens nodig vinden om de wereld te laten weten dat ik pijn heb of dat ik aan een infuus hang. Daar plaats ik rustig een foto bij. Ik doe dat niet vaak, omdat de mensen die het dichtst bij mij staan dit toch al weten. De rest is bijzaak.
Op dergelijke posts krijg ik gemiddeld evenveel reacties als op opmerkingen over mijn voornemen minder bier te drinken/die keer dat ik langs een weiland reed dat de precies dezelfde kleur had als de Sneeuwwitje-taart die ik kreeg voor mijn vierde verjaardag, dus voor aandacht hoef ik het niet te doen. Maar inderdaad, ook ik wil soms gewoon schaamteloos delen.

Sommige dingen zijn echter te persoonlijk – of juist niet persoonlijk genoegom op social media te plaatsen. Een voorbeeld hiervan kwam ik onlangs tussen mijn eigen timeline tegen, waar Facebookvriend Y een foto had geplaatst van een lijkwagen. ‘Afscheid van lieve buurman B…’ was het onderschrift. Onder de foto stonden een aantal reacties van mensen die Y sterkte wensten met dit afschuwelijke verlies.
Oké.
Mijn bezwaar tegen die post zat hem in die foto, waar niet alleen een auto op stond waar de overleden persoon in lag (al is dit op zich al een behoorlijk ziek gegeven is, want wat gaat er in je om als je besluit een foto te maken van een (gevulde) lijkwagen, tijdens een dienst?) maar die auto was ook nog eens omringd door nabestaanden, van wie ik ten zeerste betwijfel of ze op deze foto zaten te wachten. Het ging hier immers om Y’s buurman, die weliswaar ongetwijfeld enorm lief was, maar die niet Y’s vader of beste vriend was, want dan had dit daar wel gestaan. Het ging zogezegd niet om iemand in Y’s binnenste cirkel.
De foto werd overigens vijf keer geliket.
Had Y nu slechts een status geplaatst waarin ze zei dat ze naar de uitvaart van haar lieve buurman B was geweest en dat ze verdriet had om diens overlijden, dan was er niets aan de hand geweest. Dan was het iets van haar en ging het over haar verdriet. Door er een foto bij te plaatsen van een lijkwagen en nog wat nabestaanden daaromheen, betrok Y er anderen bij, niet in laatste plaats de overledene zelf, en maakte ze er – ik heb er geen ander woord voor – iets vies van.

Eenzelfde gevoel kreeg ik bij het lezen van de column van Suzanne in JAN Magazine van afgelopen augustus. Daarin schreef ze hoe schuldig ze zich voelde dat ze haar man en kinderen verliet voor schrijver Peter Buwalda (dat ze samen met de bekroonde schrijver is, werd zo prominent naar voren gebracht, dat ik het maar gewoon overneem).
Suzanne vertelde dat ze op de dag van vertrek eigenlijk haar kinderen naar school zou brengen, maar dit (“Met Keet een boekje in de kring te lezen, wetende dat ik er ‘s middags niet zou zijn”…) niet aankon. Dus zocht ze in huis drie kaarten om op de kussen van de kinderen te leggen. Ze was zelfs zo grootmoedig er één bij haar toekomstige ex neer te leggen: “Gelukkig hebben ze jou”.
Daarna volgden er meer details uit het dagelijks leven van Suzanne en over de reacties van haar kinderen op de scheiding. Zo stuurde haar oudste haar een sms waarin stond dat hij haar nooit meer wilde zien. “Kutmoeder,” schreef hij. En precies dat woord haalde de cover van JAN Magazine.
Ik vraag me af wat de bewuste zoon, nog maar 13 jaar oud, hiervan vindt.
Dat een koppel uit elkaar gaat en één van de twee vertrekt omdat hij of zij verliefd is geworden op een ander – dat snap ik. Dat is vaak hoe het gaat. Ik begrijp ook dat je daarover wilt schrijven, misschien om het van je af te praten of aandacht te generen omdat het je zeer doet, misschien om een lans te breken voor alle ‘schuldigen’ aan gebroken gezinnen.
Wat ik niet snap is hoe je dit zo letterlijk over de rug van je ex-man en kinderen kunt doen. Een detail als de inhoud van haar zoons sms, is niet iets dat je verzint. Het lijkt me evenmin vallen onder de noemer ‘kijk mij eens gezellig falen’. Net als Facebookvriend Y gebruikt Suzanne derden om zichzelf centraal te stellen, ze genereert aandacht over de ruggen van haar gezinsleden. Daarmee maakt ze iets smerigs van haar verhaal.

Waar ik denk dat het omgaat, is dat je je schaamteloosheid bij jezelf houdt. Als ik een Tweet plaats over hoe ik het huis schoonmaak met de Macarena op mijn hoofd/pas na 10 bier een beetje Duits durf te spreken/graag buikdans op Rammstein, heb ik daar alleen mezelf mee. Zelfs wanneer ik een status plaats over hoe vervelend ik het vind om bij de Albert Hein achter in de rij te staan bij iemand waarmee ik naar bed ben geweest, zeker wanneer ik alleen een Kinder Surprise en fles huiswijn hoef af te rekenen, is dat nog steeds mijn status, mijn bekentenis en mijn persoonlijke verhaal – tenzij ik die persoon bij volle naam noem. Ik beschadig daar niemand anders mee.
Ook als ik een verhaal schrijf waar autobiografische elementen in zitten (en die zitten er altijd in, bij iedereen, maar daarover een andere keer meer) doe ik dat zo, dat ik er niemand mee beschadig. Literair werk waarin hier niet zorgvuldig mee om wordt gesprongen, zorgt voor controverse waarvan ik me altijd weer afvraag wat er nu eigenlijk de functie van is. Het hoort niet om jou te gaan, niet om de ander, maar om het verhaal, toch?

Natuurlijk vlieg ik in mijn eigen schaamteloosheid wel eens uit de bocht – in Tweets en geschrift. Op dat soort momenten belt mijn moeder, die oprecht de nieuwswaardigheid van posts over katten die meegaan naar de wc betwijfelt. Is er niemand in het dorp die zichzelf zal herkennen in mijn boek? Niet geheel onterechte vragen. Ik ben echter volledig voor uit de bocht vliegen. Maar alleen als het jezelf aangaat.

Geplaatst in Tekst | Getagged , , , , , , , , | Een reactie plaatsen

Proust knows best

Ik denk dat ik deze inlijst en boven mijn bed hang.
Ik denk dat iedereen deze moet inlijsten en boven zijn of haar bed hangen.

AlaindeBotton

Uit: Alain de Botton, Hoe Proust je leven kan veranderen (hoofdstuk 4: Hoe je met succes kunt lijden, blz. 80)

Geplaatst in Notities en kopietjes | Getagged , , , , , | Een reactie plaatsen

Revolution

Revolution

Aldus Gloria Steinem in “Revolution from within: a book of self-esteem“.
Ik vraag me af of het alleen voor het echt jonge kind geldt, en niet ook voor latere leeftijd (9, 12, 15, 16, misschien zelfs 19). Dat zou een hoop verklaren.

Geplaatst in Notities en kopietjes | Getagged , , , | Een reactie plaatsen